zondag 29 mei 2011

De Arabische lente heeft te kampen met dikke mist

 
Ook binnen links is er blijkens onderstaand artikel ruimte voor een kritischer en realistischer houding tegenover de 'Arabische lente', en dat is een goed teken. Zelf vind ik die hele term verkeerd, omdat we nog geen idee hebben waar het op uit zal lopen. Wordt Egypte een nieuw Iran, dat het vredesverdrag met Israel opzegt en Hamas actief gaat steunen? Of komt er een vorm van democratie en een gematigder regering? Dat laatste lijkt helaas minder waarschijnlijk, gezien de uitlatingen van diverse mensen, juist ook de als relatief gematigd bekend staande.
 
Er zijn veel verschillen tussen de Arabische staten, waardoor de roep om verandering tot verschillende resultaten zal leiden. Aarts en Luyten sommen een aantal zaken op die van invloed zijn op de kans dat er ook daadwerkelijk democratie zal komen. Wat vaak wordt vergeten is dat geen van de Arabische staten een noemenswaardige democratische traditie heeft, zoals in Oost Europa wel enigszins het geval was (en ook daar gaat het niet overal goed met de democratie).
 
Ook zijn er in sommige Arabische staten grotere tribale en etnische verschillenen, rivaliteiten die de kop op zullen steken zodra de sterke leider is vertrokken. Dit geldt bijvoorbeeld voor Libië en Syrië. In Europa heeft dit in ex-Joegoslavië desastreuze gevolgen gehad. Hoe mooi het ook lijkt dat 'het volk' nu eindelijk de dictators naar huis stuurt en het heft in eigen handen neemt, in werkelijkheid is de kans groot dat oude dictators door nieuwe 'sterke mannen' worden vervangen, of dat een land in chaos ontaardt. Er wordt daarom dan ook wat te makkelijk afgegeven op de VS en natuurlijk Israel, die te weinig aan de kant van 'het volk' zouden staan.
 
RP
---------

De Arabische lente heeft te kampen met dikke mist

Paul Aarts, Marcia Luyten, 28-05-2011 08:00

http://opinie.volkskrant.nl/artikel/show/id/8594/De_Arabische_lente_heeft_te_kampen_met_dikke_mist

'De mensen die het geld hebben en die tot het oude regime behoren, zitten er nog steeds.'

Enkele weken geleden reisde een journalist van de Wall Street Journal naar Sidi Bouzid. In dit dorpje, diep in het Tunesische binnenland, stak op 17 december 2010 Mohammed Bouazizi zich in brand. Zijn zelfmoord wordt beschouwd als het startschot van de Arabische revoltes.

De journalist sprak er met Ali Bouazizi, een neef van Mohammed, en deelnemer aan de protesten die leidden tot het vertrek van president Ben Ali. Van de euforie was bij Bouazizi weinig over. Hij vroeg zich af: waar hebben we het allemaal voor gedaan? 'De mensen die het geld hebben en die tot het oude regime behoren, zitten er nog steeds.'

Baan

In Egypte hoor je vergelijkbare geluiden: mooi dat Mubarak met zijn kliek weg is. Heel goed dat hun banktegoeden worden bevroren. Maar levert dat ons een fatsoenlijke baan op? Daar gaat het in Noord-Afrika ook, en vooral, om. Na het verdrijven van de dictators - de 'makkelijke' fase van revoluties - begint het echte werk.

Het succes van de Arabische lente wordt dan ook niet zozeer bepaald door het aantal verjaagde dictators, maar door het aantal banen voor jongeren. Door structurele veranderingen in hoe de macht zich gedraagt. Die kant van het verhaal komt in de media te weinig aan bod. Het ingewikkelde proces van democratisering wordt doorgaans sterk versimpeld.

Consensus

Tussen aanhangers van verschillende democratiseringstheorieën is een voorzichtige consensus ontstaan over de vruchtbare bodem voor een proces van democratisering. Die voedingsbodem laat zich beschrijven met vijf indicatoren die een ontvankelijkheid aangeven en geen noodzakelijke voorwaarden zijn. Aan de hand van die indicatoren gaan we na hoe de Arabische wereld ervoor staat. Hoe waarschijnlijk is het dat de landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika daadwerkelijk democratisch worden?

Allereerst kijken we naar het niveau van economische ontwikkeling. Zeer arme landen hebben doorgaans meer problemen een proces van democratisering op gang te brengen dan landen met een middeninkomen of meer. Ontwikkelingseconoom Paul Collier laat zien dat boven een bepaald inkomen een democratiseringproces de kans op geweld sterk doet afnemen. De grens ligt bij een bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking van 2.700 dollar (1.900 euro), wat neerkomt op 7 dollar (5 euro) per dag. In landen met minder dan 2.700 dollar neemt met democratisering de kans op gewapende conflicten toe.

Inkomensverschillen

De inkomensverschillen tussen de Arabische landen zijn groot. Gemiddeld ligt het bbp ver boven de 2.700 dollar per hoofd van de bevolking, maar er zijn uitschieters naar beneden. Tunesië: 3.720 dollar (2.630 euto), Syrië: 2.410 (1.700), Egypte: 2.070 (1.460) en hekkensluiter Jemen met 1.060 (750 euro).

Vervolgens is de concentratie van bronnen van nationale welvaart belangrijk. In het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn natuurlijke grondstoffen en productiemiddelen doorgaans in de handen van een kleine elite. In veel van deze staten volgt macht de wetten van het patronagesysteem.

Concurrentie

De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglass C. North noemt dit een limited-access order(tegenover een open-access order). In de open samenleving is er concurrentie om de middelen en concurrentie om de macht - dat wat wij 'democratie' noemen. In samenlevingen met 'beperkte toegang' ligt de economische en politieke macht in de handen van slechts enkelen.

Voor de overgang van een besloten naar een open samenleving is het belangrijk dat institutionele relaties onpersoonlijk worden; bij het aanvragen van een vergunning doet het er niet meer toe of je bij het dienstdoende bureau de juiste persoon kent.

Pluralisme

Waar het gaat om de concentratie van de bronnen van welvaart zijn de Arabische landen over het algemeen slecht uitgerust voor politiek pluralisme, ook al zijn er verschillen per land. Het openbreken van het patronagesysteem waarin mensen machtige mannen steunen in ruil voor gunsten, is een langdurig en weerbarstig proces.

Dit beschrijft Francis Fukuyama in zijn net verschenen boek De oorsprong van onze politiek als de overgang van stam naar staat.

'De natuurlijke neiging van de mens', zegt Fukuyama, 'is het vertrouwen en begunstigen van familieleden.' Je verlaten op een anonieme staat met even anonieme instituties is een grote en noodzakelijke stap die niet gemakkelijk wordt gezet.

Coherentie

In de derde plaats onderzoeken we de coherentie en capaciteit van de staat. Hier gaat het om de instituties van de liberale rechtsstaat (onafhankelijke rechtsspraak, politieke partijen, niet-gouvernementele organisaties, vakbonden, media, et cetera). In dit opzicht zijn er grote verschillen tussen de landen in het Midden-Oosten: Egypte en Tunesië staan er gunstiger voor dan bijvoorbeeld Libië (dat hééft nauwelijks instituties) of Jemen (waar het centrale gezag niet verder reikt dan de hoofdstad Sanaa).

Ten vierde bekijken we de maatschappelijke, op identiteit gebaseerde verdeeldheid. De mate waarin een zich democratiserend bestel gevoelig is voor gewapend conflict, wordt sterk bepaald door de homogeniteit of heterogeniteit van een samenleving. Verdeeldheid langs etnische, religieuze, tribale, clan- of regionale lijnen is voor een stabiele democratie een handicap.

Kruitvaten

Ook in deze dimensie kennen de Arabische landen grote verschillen. Egypte en Tunesië zijn overwegend homogeen. Syrië staat er aanzienlijk minder gunstig voor, terwijl Jemen en Libië kruitvaten zijn.

Tot slot is ervaring met politiek pluralisme van belang. Weinig landen hebben serieus ervaring opgedaan met politiek pluralisme. Hier kunnen we dus kort over zijn. Jemen kent nog de meest recente ervaring met politieke liberalisering (begin jaren negentig).

Weliswaar heeft zowel Egypte als Syrië en Irak ooit een periode van heuse parlementaire vertegenwoordiging gekend, maar dat is zo lang geleden (het Interbellum) dat er nog maar weinig mensen zijn die dat hebben meegemaakt.

Scepsis

Deze analyse van de omstandigheden die bepalen hoeveel kans een proces van politieke liberalisering maakt, noopt tot scepsis - ook voor landen die er naar verhouding gunstig uitspringen, zoals Tunesië.

Het patronagesysteem vormt de software van de betrokken samenlevingen. Dat staat op gespannen voet met politieke liberalisering. De verantwoordingsmechanismen die het hart vormen van een democratie, ondermijnen de wetten van de patrimoniale samenleving. Daarin eigent een kleine elite zich de bronnen van welvaart toe.

Dat gebeurde bijvoorbeeld ook in Kenia, waar het vertrek van Arap Moi in 2002 de weg effende voor een nieuwe elite met een even corrupt en zichzelf verrijkend bestuur. It's our turn to eat, de rechtvaardiging voor het nepotisme van een nieuwe elite, is prachtig beschreven door de Britse journaliste Michela Wrong.

Spelers

De Arabische lente kan heel goed uitmonden in een wisseling van spelers die hetzelfde spel blijven spelen. In Egypte spreken sommigen dan ook de vrees uit dat een 'Mubarakisme zonder Mubarak' in de maak is, ironisch genoeg gepaard gaand met een zich nu reeds manifesterende 'onheilige alliantie' tussen het leger en de Moslimbroederschap.

Een van de grootste obstakels voor een verdergaande lente is dat de politiek-economische machtsverhoudingen buiten de hervormingen worden gehouden. De Facebook-jongeren - met de grote massa in hun kielzog - hebben daar geen oog voor. Zij zijn ook niet de ontwerpers en bouwers van nieuwe instituties. Zij legitimeren de verandering.

Elite

Vervolgens is voor implementatie van verandering een elite nodig, liefst eentje met integere democratische intenties. Daarbij zal weer blijken dat staatshervorming een lange weg is met flinke hobbels. Instituties zijn geen IKEA-bouwpakketten die je uitklapt, opzet en aanzet.

Instituties bestaan niet alleen uit geschreven, maar ook uit ongeschreven afspraken tussen mensen; ze belichamen niet alleen wetten en regels, maar ook gedrag, mentaliteit en gewoonte. Dat veranderen, vraagt een lange adem.

Zolang politieke en economische macht nauw verstrengeld blijven, is er nauwelijks reden tot optimisme. Verzuchtingen als die van Ali Bouazizi - waar hebben we het allemaal voor gedaan? - zullen we de komende jaren nog veelvuldig horen.

De Arabische lente heeft een lange adem nodig, betogen de auteurs. Aarts doceert Internationale Betrekkingen aan de UvA. Luyten is cultuurhistoricus en econoom. Een uitgebreide versie stond in Socialisme & Democratie.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen