woensdag 24 oktober 2012

Archeologie in Israël, een twistpunt vanuit meer dan één standpunt

 

In de media wordt Israelische archeologie doorgaans negatief neergezet, als een propaganda instrument van de regering om haar claim op het hele land te rechtvaardigen. Dat is natuurlijk een karikatuur, waarin er bovendien aan wordt voorbij gegaan dat beide kanten de archeologie voor politieke doeleinden gebruiken. Daarnaast ontkennen de Palestijnen hardnekkig iedere Joodse connectie met het land en met Jeruzalem, wat de behoefte een en ander nog eens aan te tonen vergroot.

 

De archeologie in Israël is met de staat meegegroeid. In de eerste fase gingen de archeologen hartstochtelijk op zoek naar de historische band tussen het land en het Joodse volk, waarbij bepaalde conclusies al te snel werden getrokken. De huidige toon is gereserveerd en kritisch.

(...)

De legitimiteit van een staat hoeft niet met klinkende historische feiten bewezen worden, dat geldt ook voor Israël. Staten legitimeren zich niet via hun roemrijke verleden, maar met hun daden. Israël is ontstaan uit een beslissing van de Verenigde Naties en is op korte tijd uitgegroeid tot een welvarende moderne samenleving, waar het goed toeven is. Dit ondanks de oorlogen en de vele bedreigingen, die op de dag van vandaag meer dan ooit alarmerend zijn.

 --------------------

 

Archeologie in Israël, een twistpunt vanuit meer dan één standpunt

·        http://joodsactueel.be/2012/10/21/archeologie-in-israel-een-twistpunt-vanuit-meer-dan-een-standpunt/

·        Zondag 21 Oktober 2012 10:02 

 

·        Vanaf het prille begin keren de Palestijnen zich tegen de archeologie. In 2000 blijken ze bovendien waardevol historisch materiaal van de Tempelberg in de Kidronvallei te dumpen. In 1998 beweert de Palestijnse archeoloog Kazzouh dat hij het bewijs gevonden heeft van een doorlopende Canaanitisch-Palestijnse geschiedenis doorheen een periode van 5.000 jaar.  

 Deze naïeve historische interpretatie kan nochtans makkelijk weerlegd worden, dat gebeurt onder meer door de opgravingen in Tell-es Safi.  Wie bewoonde in lang vervlogen tijden onze steden en dorpen? Klopt 'onze' geschiedenis wel? Om een glimp van een antwoord op deze fundamentele vragen te krijgen, moet er naar het verleden gegraven worden. De historische realiteit laat namelijk altijd materiële sporen na die meestal diep in de grond verborgen blijven. Het blijft speculeren, tot er grote bouwwerken op til zijn en archeologen de bouwputten mogen/moeten onderzoeken. Dat leidt altijd en overal tot extra kosten en tijdelijke overlast. Maar in Jeruzalem laaien hierbij de passies op. De Palestijnse Autoriteit, die het Joodse verleden van Jeruzalem om politieke redenen minimaliseert of zelfs ontkent, en zijn fervente supporters, zijn absolute tegenstanders van dergelijk onderzoek.

Lieve Schacht

Sinds eeuwen stuiten mensen bij het graven op resten van oudere culturen. Maar de vondsten worden meestal achteloos weggegooid of in het gunstigste geval bewaard als curiosum. Pas in het midden van de 19de eeuw, komt men ertoe om de voorwerpen systematisch te verzamelen, te ordenen en historisch te duiden: de wetenschappelijke archeologie ontstaat. Gedreven door gezonde nieuwsgierigheid, worden tijdens de 19de eeuw grootscheepse opgravingen op het getouw gezet, die leiden tot spectaculaire nieuwe inzichten in de geschiedenis van Egypte, Mesopotamië en het oude Griekenland.  

Maar Jeruzalem, met zijn eeuwenoud Joods, christelijk en moslim verleden, spreekt natuurlijk ook tot de verbeelding van menig archeoloog. De stad is op dat moment de verwaarloosde hoofdplaats van een afgelegen district in het Turks-Ottomaanse rijk.

Charles Warren, een Brits legerofficier, krijgt in 1867 als eerste archeoloog, de toelating om opgravingen te doen op de Tempelberg. Duitse, Franse en andere Britse archeologen volgen, zij het met mondjesmaat, want de Turkse sultan is niet zomaar geneigd om hiervoor toestemming te verlenen. In de heuvel van Shiloah (=Silwan), die grenst aan de zuidelijke muur in het oosten van de Oude Stad, leggen de eerste archeologen onder meer twee waterleidingsystemen bloot. Ze identificeren de plaats rond de Shiloah Pool als het Bijbelse Jebus, de Stad van David, van waaruit Salomon de Eerste Tempel laat bouwen. Sindsdien wordt op die plaats systematisch archeologisch onderzoek verricht. Het Britse mandaat (1917-1948) is een 'gouden tijdperk' voor de archeologie. Jeruzalem en de 'City of David' maken volgens de Britten deel uit van het werelderfgoed. Daarom wordt er in 1922 een grootschalig internationaal archeologisch project opgezet, ook in Shiloah. Het terrein is tijdens de winter grotendeels een moerassig overstromingsgebied en bijgevolg onbewoond. In het Ottomaanse tijdperk behoort het tot het 'openbaar domein', in de Britse urbanisatieplannen wordt het ingekleurd als 'archeologisch park', een bestemming die sindsdien nooit gewijzigd wordt.

Begin van de jaren '90 van de vorige eeuw, beslist het stadsbestuur van Jeruzalem om de Shiloah Pool droog te leggen. Een open en groen gebied komt in de plaats van het moerasland en kort daarna verrijzen er Arabische woningen, evenwel zonder de nodige bouwvergunning. In een periode van achttien jaar worden er in totaal 88 illegale woningen gebouwd, zomaar onder de neus van de burgemeesters Teddy Kollek en Ehud Olmert. Pas onder Olmerts opvolger, Uri  Lupolianski, legt het stadsbestuur de bouwwerken stil en worden de tractors en het  bouwmaterieel van de overtreders aangeslagen. Volgens Shuka Dorfman, Algemeen Directeur van de Israel Antiquities Autohrity, hebben deze woningen inmiddels een onherstelbare schade aangericht aan het archeologisch patrimonium in deze uiterst belangrijke historische site.

Tegenstanders van het archeologisch park argumenteren dan weer dat dit hele project kadert in een alles omvattend Israëlisch plan om steeds meer 'Palestijns' gebied in te palmen. Op de website van de – door Vlaams belastingsgeld gesubsidieerde – ngo Intal wordt dit als volgt geformuleerd: "Het plan beperkt zich tot voorstellen om bestaande kolonies te ontwikkelen en uit te breiden in het oostelijke deel van de stad, bijvoorbeeld door Palestijnse wijken te transformeren (zoals de Silwan-wijk) in een Joods archeologisch park (de stad van David)".Hierbij wordt in de verf gezet dat al 22 Palestijnse woningen voor het project gesloopt zijn en dat nog 66 andere Arabische woonsten met de sloophamer bedreigd worden. Natuurlijk wordt het illegale karakter van de met sloop bedreigde woningen niet benadrukt, noch het feit dat deze woningen op 'openbaar terrein' gebouwd zijn. "In de Israëlische toeristische gidsen wordt het Arabische dorp Silwan ten onrechte de 'City of David' genoemd", zo luidt een andere aantijging. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat baron Rothschild in het begin van de 20ste eeuw verschillende hectare land in Silwan gekocht heeft. Evenmin wordt vermeld dat er vanaf 1882 een Jemenitische wijk in het dorp gebouwd werd, van waaruit de Joodse inwoners in de nasleep van de Arabische opstand in de jaren '20 en '30 verdreven werden. Tegenstanders beweren ook dat het archeologisch park een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen in de weg staat. Met puur politieke argumenten wordt een cultureel project, dat inmiddels uitgegroeid is tot één van de vele toeristische trekpleisters van Jeruzalem, de grond ingeboord.

 

ARCHEOLOGISCHE DISCUSSIEPUNTEN

Hoewel het wetenschappelijk onderzoek aan strikte regels onderworpen is, is het wetenschapsbedrijf is ook een 'kind van de tijd'. Zo is de archeologie zeer populair binnen de vroege zionistische beweging en in de jonge staat Israël. Men wil kost wat kost de historische en culturele banden tussen de Joden en het land blootleggen. Archeologische opgravingen, zoals bijvoorbeeld Masada zijn in perfecte harmonie met de zionistische visie op het  land. Maar in de euforie worden conclusies soms te snel geformuleerd op basis van Bijbelteksten. De archeologie uit Israëls beginjaren gaat ervan uit dat de Bijbeltekst betrouwbaar is, tenzij de archeologische vondsten het tegendeel bewijzen. Zo rijdt men zich soms vast in een cirkelredenering. Ook Israëls toonaangevende archeoloog uit de begintijd Yigael Yadin loopt wel eens in die val. Naar aanleiding van de ontdekking van de poorten van het Bijbelse Hatsor, dateert hij het aardewerk aan de hand van de Bijbel. Een aantal wetenschappers achten het tegenwoordig onwaarschijnlijk dat de drie poorten uit de tijd van koning Salomon stammen, hoewel sommigen het wel voor mogelijk houden.

Als reactie op het grote enthousiasme en de archeologie 'met de Bijbel in de hand' van de begintijd, ontstaat in de jaren '80 het 'Bijbels minimalisme'. De minimalisten vertrekken van het standpunt dat de Bijbeltekst onbetrouwbaar is, tenzij de archeologie de tekst bevestigt. Spilfiguur bij de minimalisten is Israel Finkelstein, directeur van het Archeologisch Instituut van de Universiteit van Tel Aviv. Volgens het onderzoek van Finkelstein zijn de poorten van Hatsor een eeuw na Salomon door een andere vorst gebouwd. De grote bouwwerken van Jeruzalem stammen volgens de minimalisten uit de achtste eeuw voor de christelijke tijdrekening. Volgens hen is Jeruzalem ten tijde van David en Salomon (10de eeuw voor de christelijke jaartelling) niet de hoofdstad van een uitgestrekt rijk, maar een kleine tribale stad, met niet meer dan een kleine citadel voor de koning. Wanneer archeologe Eilat Mazar, (Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem) in 2005 in Shiloah een monumentaal bouwwerk blootlegt, dat zij op grond van de ligging en enkele aardewerkscherven aan koning David toeschrijft, wordt deze stelling door de minimalistische archeologen in twijfel getrokken. Zij wijzen erop dat dergelijk aardewerk gedurende een lange tijd in gebruik geweest is.

Maar de standpunten van de minimalisten worden op hun beurt gecontesteerd. Hun oorspronkelijke stelling dat David en Salomon fictieve personages zijn, wordt in 1993 onderuitgehaald. Archeologen graven in een site in Tel Dan (Noord Israël) een stèle op met de inscriptie 'huis van David', waardoor het bestaan van koning David bewezen wordt. Ook andere recente archeologische vondsten lijken in te gaan tegen de theorie van de minimalisten. In de Khirbet Qeiyafa in de Terebintenvallei, enkele kilometers ten zuidwesten van Jeruzalem, op de plaats waar David volgens de Bijbel Goliath versloeg, heeft professor Yosef Garfinkel van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, de resten van een Judese stad ten tijde van koning David opgegraven. Hij legt er een stadsmuur bloot, die veel gelijkenis vertoont met de stadsmuren van Hatsor en Gezer. Tussen de resten van de bouwwerken vinden de archeologen ook een bakplaat voor pitabrood, visgraten, honderden botten van schapen en geiten, maar niet van varkens en een potscherf met een (moeilijk te lezen) Hebreeuws ogende tekst. In een gespecialiseerd centrum in Californië kan de tekst uiteindelijk toch ontcijferd worden. De tekst roept op om de Heer te dienen en weduwen en wezen recht te doen en te beschermen. Dit is geen Bijbeltekst, maar is wel een opvallende gelijkenis met Exodus 23:3, Jesaja 1:17 en Psalmen 72:3. Garfinkel ontdekt bovendien dat de versterkte stad twee poorten heeft. De Hebreeuwse naam voor twee poorten is Saäraïm, en dat is ook de naam van een plaats die in de Bijbel drie keer vernoemd wordt. In Samuël 17:25 wordt beschreven hoe de Filistijnen vluchten voor David "van Saäraïm tot Gath".

De Amerikaanse archeoloog Thomas Levy onderzoekt in 1997 de zuid-Jordaanse site Khirbat en Nahas (= Arabisch voor 'ruïnes van het koper'). Uit zijn onderzoek blijkt dat er in die mijn in de tiende eeuw voor de christelijke jaartelling koper ontgonnen wordt. Het is voor Jeruzalem de dichtst mogelijke vindplaats voor koper, het Bijbelse Edom? Werd het koper uit deze mijn gebruikt voor het gieten van de vele bronzen voorwerpen die volgens de Bijbel in de tempel van Salomon aanwezig zijn? Daarnaast is er een poort gevonden, die sterk lijkt op eerder in Israël opgegraven exemplaren uit dezelfde tijd en een begraafplaats met 3.500 graven. In de site worden ook nog Egyptische artefacten gevonden uit de tijd van Sjesonq. De inval van deze vorst kort na Salomons dood wordt beschreven in de Bijbel en werd opgetekend nabij de tempel van Amon in Karnak.

En verder?

Vanaf het prille begin keren de Palestijnen zich tegen de archeologie. In 2000 blijken ze bovendien waardevol historisch materiaal van de Tempelberg in de Kidronvallei te dumpen. Een wraakactie voor de opmerkelijke uitgravingen van de tunnels aan de Kotel (Klaagmuur) aan Israëlische kant in 1996? In 1998 beweert de Palestijnse archeoloog Jalal Kazzouh dat hij in Tel Sofer, in de buurt van Nablus het bewijs gevonden heeft van een doorlopende Canaanitisch-Palestijnse geschiedenis doorheen een periode van 5.000 jaar. Hoewel deze stelling betwijfeld wordt door Hamed Salem, archeologieprofessor aan de Bir Zeit universiteit van Ramallah, wordt de hypothese van Kazzouh overgenomen door het Department for Antiquities en Cultural Heritage in Ramallah.

Deze naïeve historische interpretatie kan nochtans makkelijk weerlegd worden. Dat gebeurt onder meer door de opgravingen van een team van de Bar-Ilan universiteit in Tell-es Safi/Gath. In deze archeologische site worden de resten van de (hoogstaande) Filistijnse cultuur uit de IJzertijd blootgelegd. Maar in de loop van de 7de eeuw voor de christelijke tijdrekening verdwijnt deze Filistijnse beschaving.

De archeologie in Israël is met de staat meegegroeid. In de eerste fase gingen de archeologen hartstochtelijk op zoek naar de historische band tussen het land en het Joodse volk, waarbij bepaalde conclusies al te snel werden getrokken. De huidige toon is gereserveerd en kritisch. Sommige verstrekkende naïeve interpretaties van de beginperiode zijn inmiddels gecorrigeerd, maar de kern van het verhaal blijft overeind. Het is wetenschappelijk bewezen dat er in Israël vanaf de IJzertijd een ononderbroken Joodse aanwezigheid is in het land. Het is ook een feit dat de Bijbeltekst niet zomaar kan genegeerd worden. Iedereen is het erover eens dat het een zeer oude tekst is, die betrekking heeft op de geschiedenis van Israël in de IJzertijd. Zelf voor professor Finkelstein blijft de Bijbel belangrijk: "Wanneer ik met een onderzoek bezig ben, moet ik onderscheid maken tussen de cultuur van David en de historische David. Voor mijn culturele identiteit is David van groot belang. In mijn ogen is David niet een plaquette op een muur en niet de leider van een groep kansloze herders. Neen, hij is veel meer dan dat. Ik ben er trots op dat hij als onbelangrijke figuur is kunnen uitgroeien tot het hart van de westerse traditie".

De legitimiteit van een staat hoeft niet met klinkende historische feiten bewezen worden, dat geldt ook voor Israël. Staten legitimeren zich niet via hun roemrijke verleden, maar met hun daden. Israël is ontstaan uit een beslissing van de Verenigde Naties en is op korte tijd uitgegroeid tot een welvarende moderne samenleving, waar het goed toeven is. Dit ondanks de oorlogen en de vele bedreigingen, die op de dag van vandaag meer dan ooit alarmerend zijn.

 

dinsdag 23 oktober 2012

Moordenaar Ami Popper haalt in cel zijn gram op Israelische oud-president Katsav

 
Erger dan de vrijheidsberoving, lijkt mij het tuig waar je noodgedwongen je dagen tussen moet slijten in de gevangenis.
Ami Popper is een religieus geworden maar nog steeds gewetenloze maniak, die in 1990 koelbloedig zeven Israelische Arabieren bij een bushalte doodschoot. Zijn straf is in 1999 omgezet van 7x levenslang naar 40 jaar; veel te kort voor zo'n gek zonder wroeging; hij zou al in 2023 voorwaardelijk vrij kunnen komen (hij is dan circa 54 jaar). Hij is nu naar een maximum-security gevangenis overgeplaatst, omdat hij oud-president Katsav belaagde.
Evenals de fanaat die Rabin vermoordde, kon Popper tijdens zijn straf trouwen en kinderen verwekken. Verbluffend hoe er steeds vrouwen te vinden zijn die vallen op foute mannen. Misschien dat Katsav ook nog wat sjans krijgt vanuit de cel? (Zijn vrouw ziet die bui al hangen en diende vorige week een gratieverzoek in bij president Peres...)
 
Wouter
____________
 

Moordenaar haalt in cel zijn gram op oud-president Israël

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2808/Israelisch-Palestijns-conflict/article/detail/3333285/2012/10/18/Moordenaar-haalt-in-cel-zijn-gram-op-oud-president-Israel.dhtml

Door: Rolf Bos − 18/10/12, 06:00

 

Het is de grootste angst van een corrupte agent. Opgesloten in een gevangenis met boeven die je zelf ooit nog hebt opgepakt. Iets soortgelijks overkwam de afgelopen weken Moshe Katsav, de voormalige president van Israël, die wegens verkrachting de cel in moest. In de gevangenis werd het leven hem zuur gemaakt door een meervoudige moordenaar die hij als president weigerde gratie te verlenen. 

 

Katsav (66), tussen 2000 en 2007 president, verdween in december 2011 voor zeven jaar achter de tralies. De rechter achtte het bewezen dat hij, als minister van Toerisme, een medewerkster had verkracht. De voormalige bewindsman zit zijn straf uit in de Maasiyahu-gevangenis in Ramla. Hij is daar ondergebracht in een vleugel voor religieuze joden.

Katsav had de afgelopen weken veel last van een andere gedetineerde, Ami Popper. Deze Israëliër vermoordde in 1990 zeven Palestijnse arbeiders. Hij werd tot zevenmaal levenslang veroordeeld.
Toen Moshe Katsav nog president was, vroeg Popper hem om gratie. Katsav weigerde. Popper was er volgens een bron in de gevangenis op uit 'een oude rekening te vereffenen'.

Hij dwong Katsav de tafel in de eetzaal te verlaten waar hij zelf wilde zitten. Samen met andere gedetineerden smeerde hij resten van dode muizen op de muren van de cel van de ex-president. Ook pikte hij diens stoel in.

De gevangenisautoriteiten hebben Popper meermalen gewaarschuwd, maar hij bleef doorgaan met zijn pesterijen. Afgelopen maandag werd hij overgeplaatst naar een andere gevangenis.

 

zaterdag 20 oktober 2012

Apartheid in Israel (Telling Israel like it is)

Boshra Khalaila (photo credit: courtesy)

 

Meestal lezen we over Israelische Arabieren die erg kritisch zijn tegenover Israel, en zich sterk met de Palestijnse zaak identificeren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de drie (voornamelijk) Arabische partijen in de Knesset. Maar er zijn ook Arabieren in Israel die zich met Israel identificeren en zich er thuis voelen, ondanks de problemen die ze er als Arabier soms hebben. Boshra Khalaila zegt zelf overigens dat het met dat racisme meevalt, hoewel ze ook de ervaring heeft gehad dat een verhuurder haar als huurder weigerde omdat ze Arabisch is:

 

“I don’t feel racism on a daily basis. I don’t look for an apartment every day. At the supermarket everyone is nice to me and they know that I am Arab. But I won’t say there is none – it’s just not a frequent thing. If it were, I couldn’t stand to live here. And I know that for each woman who won’t rent me an apartment there are tens of others who will. And when I was in Haifa, I never once experienced any racism. I didn’t know what racism was. It was only when I arrived to Jerusalem – because the city is in conflict – that I felt something.”

Een moedige vrouw, die bruggen wil slaan tussen twee werelden en op zoek is naar coëxistentie. Hopelijk is zij een inspiratiebron voor velen, maar in de Palestijnse gebieden ben je helaas alleen een held als je je wijdt aan de strijd tegen Israel.

“Israel is my country, my home. Why would I leave to Jordan or Egypt? This is where my roots are. Here my grandfather and grandmother were born, all my family is here. This is my home,” she told me unequivocally. Her logic is rooted in optimism: “I am in favor of coexistence, I am in favor of peace and I very much believe that when younger people start to speak for us, instead of the older generation now in power, there will be more joie de vivre. Many problems stem from the older mentalities and hatreds. They don’t want Jews in this land, they want to kick them out, treat them as enemies, or vice versa.”

 

--------------

 

Telling Israel like it is — in Arabic

A secular, liberal woman from the Galilee, Boshra Khalaila leaves passionate critics of Israel open-mouthed simply by describing the rights and freedoms she routinely enjoys

  October 17, 2012, 6:56 pm 

 

http://www.timesofisrael.com/boshra-khalaila-telling-israel-like-it-is-in-arabic/

 

 

I first met Boshra Khalaila in the Spring of 2010, at the Ministry of Public Diplomacy’s offices in Jerusalem. She was 24 at the time. Like me, she’d been alarmed by the public relations debacle that followed the Gaza flotilla incident and had somehow found her way to the Ministry’s hastily set-up Potemkin village of a situation room, to volunteer her time and do damage control, in Arabic.

I next saw her last January at the first preparatory meeting for the Faces of Israel program, which I have previously written about. She had again volunteered to defend her country and taken time off work to drive from Jerusalem, where she lives, to Tel Aviv for the preparatory sessions, a ritual she would have to repeat often. I was sent to California as part of that program. Boshra’s destination was South Africa — during Israel Apartheid Week.

In South Africa, she traveled to both Johannesburg and Cape Town, lecturing at four large university events that included a serious round of follow-up work — public discussions, five radio interviews, and a host of newspaper interviews.

‘I compare myself to other women my age in Jordan, the territories, Egypt, any Arab country. They don’t have the rights that I have: freedom of expression, the right to vote. They are forced into marriage at a young age, and religious head covering, despite their own convictions’

 

Boshra, a secular, independent and patriotic Israeli Arab woman, defies stereotypes. She grew up in a liberal home in the Arab village of Deir Hana, in the Galilee. Her first contact with Jewish Israelis came at the age of 18, when she enrolled in Haifa University. There, she had to speak Hebrew for the first time. And it is there that she started to develop her political conscience and her attachment to the State of Israel.

“I am married and doing a master’s degree [in Tel Aviv]. I am a liberal, free woman, with all the rights that I could enjoy. I compare myself to other women my age in Jordan, the territories, Egypt, any Arab country. They don’t have the rights that I have: freedom of expression, the right to vote. They are forced into marriage at a young age, and religious head covering, despite their own convictions. With me it’s the opposite; I have everything.”

After returning from our mission, we sat down for an interview in the lobby of a Tel Aviv hotel. My first question was why she feels the need to speak up for Israel so publicly — something that most Jews don’t even feel compelled to do. She answered me in perfect Hebrew:

“To sacrifice from myself for the country that I live in and that gives me rights, that’s a natural price.”

Boshra was part of a team of five people, including another Israeli Arab and a Druze, who were sent to South Africa with Faces of Israel during Israel Apartheid Week. Like us, Boshra and her team had to deal with widespread ignorance about Israel, compounded by a campaign of demonization waged by pro-Palestinian students. Unlike us, she could counter the anti-Israel Middle Eastern students as an Arab herself, in Arabic.

“[The pro Palestinian students in Johannesburg] had built fake barriers and put up all kinds of slogans demonizing Israel and accusing it of Apartheid, of being a child murderer and the like. There were awful pictures, pictures with dead children, [it was] really terrible.”

Boshra and her team were generally not welcome. “They didn’t even know that there was such a thing as Israeli Arabs. They accused us of being Jews. Some people were hostile, they told us ‘get out,’ ‘we don’t want to hear from you.’ [Some] were even more unwilling to talk to me because I am Arab and was seen as a traitor, but this was only a small part of their group. Others, thankfully, came to listen; they were open-minded about it.”

Boshra and her team delivered a number of lectures, told their personal stories, dialogued with students and gave interviews. “You want to defend yourself from people that tell the world that [Jews and Arabs] travel on different buses and study at different schools and that there is segregation,” she said. “That just isn’t true: I study in same educational institutions, ride the same buses, shop in the same supermarkets. Everything that they say is absolutely false. And I do feel that I belong to my country.”

Hoping to give South Africans a glimpse of her everyday life as an Arab citizen of Israel, Boshra instead found herself publicly debating politics with a Palestinian PhD student from Gaza, in Arabic.

“This is what I told him in front of everyone; I spoke in Arabic, and I was translated: ‘I don’t enjoy it when soldiers attack and mothers and babies end up getting killed or injured. It’s hard. But the same is true for Netivot and Sderot, when Kassam rockets hit and, God forbid, someone is killed, it is very hard. On both sides there are mothers and it is hard. I want the Palestinian people to have a country. It’s a natural right. That said, there are all kinds of conflicts within the Palestinian authority, mainly with Hamas, that prevent progress toward a peaceful settlement for the state of Israel and that is unfortunate.”

She added, “If there is any Apartheid — in the sense of a flagrant injustice — in the world, it is what is happening in Syria. Thousands of people murdered…the number of dead doesn’t even come close here.”

Thinking back to my experience in California, I assumed that her message would fall on deaf ears. But she surprised me:

“Most of the talks ended with a handshake and a hug. To me this says it all. I have to say that it was important that I wasn’t there representing the government of Israel. It was surprising for them to see that I was a simple person, defending my country for the rights that I have and not speaking on behalf of the government. It came across as very genuine. For them, this was huge — to be able to listen to someone who is not from the government, including for the pro-Palestinian students. When you tell them you are a student and not a government spokesman, they no longer see you as an enemy.”

Making international waves

Boshra’s appearances on campus made waves, and, among her many radio appearances, she was interviewed by an Islamic, Arabic-language radio station in Johannesburg. The interviewer, a religious Saudi man, asked her questions which revealed a disheartening level of ignorance about Israel, the most over-scrutinized and documented country in the world — an ignorance that is unfortunately all too common.

“He asked why Israel doesn’t let Muslims pray or go to Al Aqsa mosque in Jerusalem; why only Jews are allowed to pray [in the State of Israel]. I told them that in my own small village in the Galilee there are not only one but two mosques and two imams who both get a monthly salary from the state. The interviewer was in shock. I added that I could go pray at Al Aqsa mosque at will, freely. Sure, sometimes there are security concerns and they limit entrance temporarily, but that’s it.”

The host was receptive to Boshra’s story and as the conversation turned to the rights of Arabs in Israel, her assertiveness grew.

“I said to him: ‘In Saudi Arabia, can a woman drive a car?’ He said no. I said: ‘I can.’ And he was silent. I asked: ‘Can a woman in Kuwait or Saudi Arabia meet a man and get to know him before getting married or is she just forced into marriage at a young age?’ He said no, she can’t. I said: ‘I can.’ And I would answer his questions with my own questions…and each time he would be stunned silent.”

Boshra went on to correct other popular misconceptions that the host had, including ideas about the Hamas-ruled Gaza Strip. She informed him of the supplies that Israel provides to the strip on a monthly basis, and she reminded him that Egypt also enforces the embargo. She asked him why it was Israel and not Egypt, an Arab county, that provided for the territory’s necessities. “He was speechless. He was often speechless during our interview.”

The host’s silence, and the reception she got from many if not all of the Arab students that she met, stood in stark contrast to my experience at Berkeley. Boshra’s interviewer, a religious Saudi, was more receptive to new facts than the “liberal” Ivy league students that I faced. “He saw me; I spoke Arabic, I was liberal and secular. This made him quite open-minded, actually.”

Her tale begs the question of why, if a religious Muslim from a hyper-conservative state in the Middle East is willing to shed preconceived notions about Israel — even temporarily — the state is still faced with such disastrous public relations. Boshra’s diagnosis: “Every media outlet pushes this narrative painting Israel as an evil aggressor. It’s enough that a popular prime-time show plays, a few times, a clip of the IDF bombing a target in Gaza where a baby was killed, for people to be convinced that Israel is an evil state. It’s hard for people to see tragedies like that.”

‘I am looking for an apartment to rent in Jerusalem right now. And when they ask me my name — Boshra — they then ask if I am an Arab. When I ask if there is a problem with that, there’s always some embarrassment, some evasion. One woman told me, “I don’t have a problem with you, but others tenants mind, so we can’t rent to you”‘

 

“And our public diplomacy here in Israel,” she went on, underlining why people are not told the rest of the story, “is catastrophic. I can tell you first hand, it’s catastrophic.” She uses the Hebrew slang expression “all hapanim” — flat on its face — to describe Israel’s public relations apparatus.

Sadly, the hostility and suspicion that Boshra initially encountered in Johannesburg were but a taste of what she’d face upon returning home.

“There were a number of articles in Israel, the international press and the Arab press even outside of Israel. They described me as a Zionist who sold out her people.” Others accused her of taking bribes to support the country. The media exposure led to real trouble. In Deir Hana, where she grew up, activists from Hadash and Balad, Arab Israeli political parties represented in parliament, “published flyers and articles saying that I sold out my people, that I was brainwashed.” Like the rest of us, Boshra didn’t get paid a cent for her troubles. “They wanted to banish me and my family –- all kinds of bad things.” The rancor eventually turned to threats. “I got many hostile phone calls and threatening Facebook messages. A Facebook group attacking me was started. At one point, even my husband was threatened and told that if I didn’t ‘calm down’ I’d pay a heavy price.”

Boshra told me this almost matter-of-factly, undeterred. And yet, she admitted that facing such hostility was not easy. “I cried for hours every day.” But although she felt alone, she found the strength to persevere. “I am very proud of what I did because these are my opinions. I will not and am not able to change my opinions to please anyone. And the essential, most important thing is that I got full support from my family and my husband.” She also got support from a number of people in her home village. “People understood my actions and opinions and expressed this to my family in the kfar too,” she says, referring to her village. “It was mostly Hadash activists that caused problems.”

But why put herself through it all? The hostility one faces when defending Israel -– the intimidation, the isolation, the constant bickering, the justifications of terrorism under the guise of concern for human rights, the slander that one inevitably faces — is, at times, enough to make you want to give it all up and move to Mexico. I couldn’t imagine having to deal with the same hostility at home as well as abroad. I doubt I would have had Boshra’s fortitude.

“It was important to me that people know that there are Arabs that live in the state of Israel, and on this trip there were [people] from all backgrounds…that didn’t know that there were Arabs in Israel. They thought Israel was a country exclusively of Jews. It was very important to me to correct this misconception.”

Boshra also wanted to challenge herself and break some barriers in the process.

“Second, I wanted to prove to myself that I could do this as a woman in our community, where women are weak. And what I experienced, the negative comments, the slander that I was bribed, revealed that they just couldn’t accept that a woman could get ahead. Had a man been in my position, they would have related to him differently, I am sure, but because I am a woman they rejected my actions…as if to abuse me. It is also a resentment of success. When people get ahead there is a tendency in the Arab community to bring them down, to infer that they should stop. This is particularly true with respect to women.”

But though she is definitely not stopping, she doesn’t advocate that everyone follow her lead. “You need a lot of strength and perseverance. As a woman from an Arab town it is more difficult to stand up and it takes a lot of courage. Not everyone is capable of doing it. In our community, the woman is the weaker sex. You need even more strength and courage [than the men].”

“But to be accused of treason is the price you have to pay to make a difference,” Boshra said, summarizing her ordeal. “Bottom line: you need to believe in your way and what you are doing.”

I asked if she’s ever encountered discrimination in Israel, by Jewish Israelis. It’s a scary question whose answer I was afraid to hear.

“I can’t say that I enjoy 100% of the rights that I get under law, but I don’t deny that I have rights, like others in my community might claim. That’s not true. I work for the office of social insurance in Israel, so I can tell you confidently that Arabs have the same legal rights. That said, as an Arab I can’t get certain jobs for which military service is required, for example, because Arabs are exempt from military service. I can’t always live where I want.”

We discussed military service for a while, and the growing trend among Arabs — which she supports — to volunteer for the military or national service. Nonetheless, I was bothered that a person such as her is not universally greeted as a hero in this country. And I told her.

“Listen, it’s not pleasant. I am looking for an apartment to rent in Jerusalem right now. And when they ask me my name — Boshra — they then ask if I am an Arab. When I ask if there is a problem with that, there’s always some embarrassment, some evasion. One woman told me, ‘I don’t have a problem with you, but others tenants mind, so we can’t rent to you. I looked for a place to live in Adam [a settlement in the West Bank] and I wasn’t accepted.”

While I typed up her words, embarrassed by those stories, she added: “Jerusalem is becoming ultra-Orthodox ” — she actually uses a play on the Hebrew word “Haredi,” (i.e., “anxious”) and tells me that Jerusalem is becoming ‘anxiety-ridden’ — “Who gets to rent what and where is an issue for everyone these days. The ultra-Orthodox have their areas, and if someone Jewish is not religious they won’t rent to them, either.”

 

Still, I kept digging, feeling it my duty to expose and condemn whatever unpleasantness she may have encountered at the hands of Israelis on account of her background. But there isn’t much.

“I don’t feel racism on a daily basis. I don’t look for an apartment every day. At the supermarket everyone is nice to me and they know that I am Arab. But I won’t say there is none – it’s just not a frequent thing. If it were, I couldn’t stand to live here. And I know that for each woman who won’t rent me an apartment there are tens of others who will. And when I was in Haifa, I never once experienced any racism. I didn’t know what racism was. It was only when I arrived to Jerusalem – because the city is in conflict – that I felt something.”

In search of ‘the common good’

What of the Arab members of Israel’s parliament, the Knesset, and their constant, public complaints about the state? Boshra’s answer was decidedly Israeli. “Everything is politics and everything is dirty. Everyone is looking out for his own interests and the narrow interests of his constituency — religious, Arab, whatever. No one looks out for the common good. And it is often in their interest to incite, to be inflammatory.”

“[The Saudi interviewer] asked me about the Arab members of Knesset who are always against the Jews,” she continued, “I answered him that those members of Knesset should thank Israel for giving them rights, including freedom of expression, which they would not enjoy in any Arab country. Second, those Arab Knesset members do not represent me.”

This is something Boshra first explained to me back in 2010 about Hanin Zoabi, an Arab-Israeli member of Knesset who participated in the Mavi Marmara flotilla to Gaza and viciously criticized Israel in the press. “They [the Arab Members of Knesset] serve only their own interests.” She added that many Arab Israelis agree and feel that the Arab Members of Knesset even hold Israeli Arabs back, but that tradition still held much sway in dictating how people voted. “The truth is that awareness of the possibility to vote and whom to vote for is still not very high in the Israeli Arab community. It is very much a family thing; you follow what your family loyalties dictate. This is not my case because I was lucky to have been born in a very liberal, open home in favor of co-existence and higher education. I was able to get married relatively late, at the age of 25, because I am pursuing a master’s degree. But others are not that fortunate.”

‘I am for a Palestinian state. But I don’t think that I am pro-Palestinian. I think that they should have their rights, that the Saudi millionaires should help them out a little…but that is it. I am not for a One State solution, either. I am for two states for two people…and I would stay here. Israel is my home’

 

And although she supports them, Boshra does not identify with the Palestinians, nor would she move to a Palestinian state were it ever to arise.

“Israel is my country, my home. Why would I leave to Jordan or Egypt? This is where my roots are. Here my grandfather and grandmother were born, all my family is here. This is my home,” she told me unequivocally. Her logic is rooted in optimism: “I am in favor of coexistence, I am in favor of peace and I very much believe that when younger people start to speak for us, instead of the older generation now in power, there will be more joie de vivre. Many problems stem from the older mentalities and hatreds. They don’t want Jews in this land, they want to kick them out, treat them as enemies, or vice versa.”

Unlike many young Israeli-Arabs, she doesn’t consider herself Palestinian.

“No. I just want them to have a state. Because — hallas — enough already. I am for a Palestinian state. But I don’t think that I am pro-Palestinian. Because I am not Palestinian. I identify insofar as I think that they should have their rights, that the Saudi millionaires should help them out a little…but that is it. I am not for a One State solution, either. I am for two states for two people…and I would stay here. Israel is my home.”

I compared her willingness to speak out to the hesitation of some other Arab participants on the Faces of Israel to defend Israel abroad, for fear of upsetting their kin back home. This outraged Boshra: ”Why!? They didn’t study!? They didn’t get all their rights and dues? That kind of ingratitude could get one killed in an Arab country.”

That led me to ask her about her place as an Israeli Arab within the Arab world. Her answer tells of the isolation of a community struggling to define itself between two clashing identities.

“There is a problem. To the Jews we are Palestinian Arabs and to Arabs in the Middle East we are Jews. And we want to both identify with Arabs and be Israeli and connect with Jews. It is a problem.” But she makes no apologies and expects understanding from the Arabs around Israel. “Just as I accept that someone from, say, Lebanon has his own identity, he needs to accept that I was born in Israel. The Palestinians born in Lebanon are still stuck in camps on the border. They are not recognized by Lebanon; they are not even considered residents; even to marry a Lebanese, to get a Lebanese ID card down the line is impossible. There is no family reunification. It’s simple: You need to appreciate that everyone has their own reality.” And Boshra’s reality is being an engaged, active Israeli.

But she is not interested in a political career. Here again, her rejection of Israeli politics sounds exactly like what she is — purely, unmistakably Israeli. “I won’t go into politics,” she states. “It’s a dirty game.”

She wants to make an enduring difference, to unite people and build bridges to the Arab world with a better, more timely idea, one that, in my opinion, the politicians playing their “dirty game” should quickly heed:

“I want to work for peace between people. I want to do this through the media… to speak to the world. Why isn’t there an Israeli channel that speaks to the world, like the French have or the BBC, for instance? I would like to be involved in such a thing.”

 

 

Gewelddadigheden in Oost Jeruzalem

 

In reportages op TV en artikelen in de krant lezen en horen we vaak hoe de Palestijnse inwoners van Oost Jeruzalem door ‘kolonisten’ aldaar worden getreiterd en weggepest. Dat dit gepest van twee kanten komt horen we zelden. Hieronder het verhaal van de andere kant. Er zijn overigens vaker incidenten geweest, zoals een Joodse studente die vorig jaar verdwaalde en per ongeluk in een Arabische wijk van Jeruzalem terecht kwam toen zij van de universiteit op Mount Scopus naar huis wilde gaan. Ze werd belaagd door Arabische jongeren en vreesde voor haar leven.Zulke incidenten zijn niet altijd goed afgelopen. Ook ambulance personeel dat zijn taak in Oost Jeruzalem wil vervullen loopt gevaar. De haat en vijandschap zijn er dus zeker van twee kanten. Sommige wijken die nu overwegend Arabisch zijn waren in het verleden (voor 1948) gemengd, en het is dan ook niet juist Joden die zich hier willen vestigen als indringers en kolonisten te bestempelen.

 

RP

---------

 

In East Jerusalem Neighborhood Residents Under Attack Feel Abandoned

http://www.algemeiner.com/2012/10/16/in-east-jerusalem-neighborhood-residents-under-attack-feel-abandoned/

OCTOBER 16, 2012 5:00 PM 

 

Author: Aryeh Savir / Tazpit News Agency

 

Over the past four months, the Jewish residents of the Nof Tzion neighborhood in eastern Jerusalem have been subject to repetitive stone attacks carried out by Arabs from the neighboring Jabel Mukaber. The residents say they have approached the police on the issue numerous times; but the cops have been unable to bring the situation under control. According to the residents, these attacks occur every few days, placing the lives of the members of ninety families living there in danger. In most cases, the incidents end with damage to cars or property, but last month a ten tear old girl was injured by a rock that was thrown while she played in her backyard with friends, requiring stitches to her head.

 

In general, residents report an uptick in terrorist activity in the Jerusalem vicinity, and the residents of Nof Tzion have noted it as well. In their case most of the attacks emanate from a new high school in Jabel Mukaber, which is situated right above Nof Tzion. Students throw stones and objects at Jewish homes and cars. A smashed car is found every few days.

When notified of the incident, residents say that the police advised them to install security cameras and to join the Civil Guard. After installation at great cost, the footage from the cameras was passed on to the police. According to the locals, the cops subsequently claimed that they could not identify anyone from the footage, insisting that they could not ensure the residents’ safety every moment of the day.

In a recent incident, a car belonging to one of the residents was hit. In protest, a few of the community’s Jewish youths blocked a nearby road prompting the police to respond. One of the residents relayed that at the time, Arabs appeared at a local kindergarten and chanted “slaughter the Jews.”

The residents tell of a general fear to walk freely in the neighborhood. They feel they have been abandoned by the police.

The police have stated that they are working continuously to catch the culprits, adding that only four incidents have been lodged over the past four months.

 

Liever Mein Kampf dan Het Achterhuis in Turkije

 

Anne Frank is er vrijwel onbekend, maar Mein Kampf verkoopt goed in Turkije.

Hoewel het land van de EU en Europese waarden weg beweegt, ziet de correspondent hieronder ook wel positieve ontwikkelingen, zoals een kritischer blik naar het eigen verleden. Zo bood Erdogan onlangs excuses aan voor een massamoord op Koerden in 1937, en heeft de Anne Frank Stichting een educatieproject voor onderwijzers lopen in Turkije. Het lijken mij toch maar kleine lichtpuntjes...

 

Wouter

__________________

 

Liever Mein Kampf dan Het Achterhuis

http://www.standaard.be/krant/tekst/index.aspx?oDay=28&oMonth=9&oYear=2012&articleid=DMF20120927_00314525

De grote afstand tussen Turkije en Europa

·        vrijdag 28 september 2012, 03u00

·         

·        Auteur: Van onze correspondent Erdal Balci, in Turkije

·         

Nu Turkije verder wegdrijft van de Europese Unie, wordt duidelijk hoe groot de kloof tussen het Europese en het Turkse gedachtegoed is. In een Turks reclamespotje prees Hitler shampoo aan.

 

Het Europese Unie-project van Turkije is zo goed als ten einde. Meer dan tachtig procent van de Turken is daarvan overtuigd. Tot die meerderheid behoort ook de Nobelprijswinnaar voor de literatuur, Orhan Pamuk. In een land waar bijna niemand van Anne Frank heeft gehoord, bleek het begeerde lidmaatschap van de Europese Unie niet meer dan een illusie.

Eerder dit jaar werd op de Turkse televisie een reclamespot gedraaid waarin een mannenshampoo werd aangeprezen. En wel door niemand minder dan Adolf Hitler. De Turkse kijkers hoorden een Turk die Hitler nasynchroniseerde en net zo driftig als Hitler schreeuwde: ‘Als man draag je toch ook geen vrouwenkleren? Gebruik daarom een echte mannenshampoo, gebruik Biomen.’

Geen probleem

Een week lang heeft ‘Hitler’ zijn shampoo kunnen aanprijzen op de Turkse televisie. Het grote publiek vond het best en, enkele columnisten daargelaten, de Turkse pers ook. Men heeft namelijk over het algemeen geen problemen met de wereldvisie van Hitler, en dus ook niet met zijn voorkeur voor een shampoo.

In een paar jaar hebben dertien Turkse uitgeverijen Mein Kampf gedrukt. En niet voor niets hebben ze de drukkers overuren laten maken: de Turken hebben meer dan een miljoen exemplaren gekocht van dit boek. Steeds meer mensen hoor je zonder enige schroom verkondigen dat Hitler ‘te weinig’ Joden heeft uitgemoord.

 

Met de economische crisis in de Europese Unie en de malaise in het buurland Griekenland rouwen de Turken niet om het ‘verdampen’ van het EU-perspectief. De minister van EU-zaken, Egemen Bagis, reageerde op een onderzoek waaruit blijkt dat 83 procent van de Turken niet meer in het EU-lidmaatschap gelooft en schoof de schuld van het ‘mislukken’ van de gesprekken tussen de EU en Turkije in de schoenen van de Europeanen. Hij meende dat de EU de Turken discrimineert, uitsluit en hen onmogelijke barrières opwerpt. Bagis en de andere bestuurders uit het kabinet onderstrepen bij elke gelegenheid dat Turkije de Europese Unie niet nodig heeft om zijn economie te laten groeien. Ze trekken een lange neus naar de Unie, die in een economische modderpoel is terechtgekomen.

Dus basta Europa?

De schrijfster en historica Ayse Hur beaamt dat Turkije ook zonder de Europese Unie zijn economie kan verbeteren, maar de Europese Unie was belangrijk om een nieuwe ‘ziel’ tot stand te brengen in Turkije. Ze betreurt het daarom dat dit proces, ook al verliep het gestaag, nu helemaal lijkt te zijn gestokt.

‘Turkije heeft de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt, maar de toenmalige machthebbers hebben openlijk Duitsland gesteund. Ons land heeft weinig meegekregen van hoe de Europeanen zich na de afloop van de oorlog voelden. De Europese identiteit die na de oorlog als reactie op het fascisme ontstond, is voor de Turken vreemd. Het is bitter, maar drie op de vier Turken zeggen negatieve gevoelens jegens de Joden te koesteren. Het zou naïef zijn te denken dat EU-lidmaatschap het Turkse volk snel zou transformeren, uiteraard duurt het lang om bij de grote massa’s gedaantewisselingen tot stand te brengen. Maar het EU-proces was wel een katalysator.’

Holocaust

De historica sluit niet uit dat het afscheid van de Europese Unie een ander proces versnelt: het islamisme, wat alweer een verdere verwijdering van de Europese waarden zou betekenen.

‘Turkije wordt al bijna tien jaar door een islamistische partij geregeerd en op de websites van de Ankara-afdeling van deze partij kon men een tijdlang lezen dat de Holocaust een grote leugen is’, vertelt Hur. ‘Nu Europa en Turkije er zich allebei bij neerleggen dat het proces ten einde is, is het onvermijdelijk dat Turkije in een ander vaarwater zal terechtkomen.’

‘De AK-regering verandert het onderwijssysteem om het islamitische geloof nog meer in het centrum van de samenleving plaatsen. Nieuwe stappen zullen ongetwijfeld volgen. Tien jaar geleden schoof Turkije richting EU, nu gaan we de andere kant op.’

Naamsbekendheid

De niet eens zo omstreden reclamespot met Hitler werd na een week wel teruggetrokken door zijn bedenker. De reclameman verdedigde aanvankelijk zijn spot door te zeggen dat de mannenshampoo Biomen dankzij zijn ingeving om Hitler te gebruiken in zijn spotje, veel meer naamsbekendheid heeft dan voorheen en dat hij dus prima werk heeft geleverd. Enkele dagen later liet hij weten dat hij de Joodse gemeenschap in Turkije niet langer wilde kwetsen en de reclamespot niet meer zou draaien.

Maar het bekende boek van de hand van Hitler gaat nog altijd als warme broodjes over de toonbank. De doorsnee Turk zal je op straat het grote ‘geheim’ uit de doeken doen: ‘Zeven rijke Joden hebben de leiding van de wereld.’ De meerderheid is van mening dat de hele wereld tegen Turkije is. De Armeense genocide is een grote leugen. Er is nooit sprake geweest van de onderdrukking van de Koerden en van de andere minderheden. De Arabieren zijn verraders die zich voor de kar hebben laten spannen van de westerse mogendheden en zo een einde hebben gemaakt aan de invloedssfeer van de Turken in het Midden-Oosten.

‘Het kan de gemiddelde Turk niet aangerekend worden dat hij een ver gevorderde vorm van xenofobie heeft ontwikkeld. Het is de mensen vanaf hun kindertijd door een zwaar autoritair regime erin gepeperd’, zegt Kenan Cayir, socioloog aan de Bilgi Universiteit in Istanbul. Sinds november 2010 heeft hij in samenwerking met de Anne Frank Stichting een project waarbij Turkse onderwijzers les krijgen over het omgaan met vooroordelen en over het leven van Anne Frank.

Hoewel het Europese Unie-perspectief lijkt te zijn vervlogen en de pro-EU-intelligentsia in het land, onder wie de bekendste Turkse schrijver Orhan Pamuk, zowaar in een staat van depressie laat weten dat de droom over is, meent Cayir dat alle inspanningen van de afgelopen jaar om het proces in leven te houden toch niet voor niets zijn geweest: ‘We slagen er voor het eerst in om ons verleden in de ogen te kijken.’

De 42-jarige socioloog geeft aan het begin van het interview maar meteen toe dat hij tot een paar jaar geleden nooit van Anne Frank had gehoord. Het was zijn dochter die op een dag met het boek thuiskwam. Het was zijn eerste kennismaking met Anne Frank. Hij vertelt in zijn kantoor op de universiteit: ‘We zijn groot geworden in dit land met het propaganda dat de Turken altijd slachtoffer zijn geweest. We wisten niets over onze geschiedenis, alles was in een doofpot gestopt.’

Openheid

‘Gelukkig heeft het EU-proces openheid gestimuleerd en praten we nu over kwesties die voorheen absoluut taboe waren. Ik vind het erg belangrijk dat premier Erdogan namens de Turkse staat zijn excuses heeft aangeboden voor de massamoord in 1937 op de Koerden in Dersim.’

Bij de lessen aan de onderwijzers komen allerlei onderwerpen aan bod die moeilijk liggen bij de Turken: ‘We praten over de Koerden, de Armeniërs, over racisme en discriminatie. Je ziet dan dat de cursisten aan hun eigen vooroordelen beginnen te twijfelen.’

‘De Turken staan open voor nieuwe opvattingen. Het is jammer dat in Europa de tegenstanders van de Turkse toetreding terrein winnen, anders hadden Turkije en de Europese Unie naar elkaar toe kunnen groeien.’

Zoals ze overal doet, volgt Anne Frank ook de ontwikkelingen in Turkije met haar vermaarde glimlach op een poster. In een boekwinkel in het centrum van de stad is haar dagboek afgeprijsd, zo is op de poster aangegeven. ‘Jonge meisjes zijn gek op haar verhaal. Ze begint langzaam populair te worden.’

Bestaat de mogelijkheid dat ze Hitler voorbijstreeft? De jonge verkoopster schudt van nee: ‘Voorlopig komt ze niet in de buurt van de verkoopcijfers van Mein Kampf .’