woensdag 30 november 2016

Tweede antwoord van de NRC ombudsman

 

 

http://www.israel-palestina.info/actueel/2016/11/29/tweede-antwoord-nrc-ombudsman/

 

Geachte Ratna Pelle,

Met enige vertraging bij deze een antwoord op uw vervolgbrief aan mij.  Daar is misschien extra aanleiding toe, nu de verkiezingen in Amerika een aanstaande president hebben opgeleverd die zegt uit te zijn op ,,de ultieme deal’’ voor het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Hoe die deal eruit zal zien, moeten we natuurlijk afwachten, in elk geval heeft de verkozen president eerder al het uitdrukkelijke voornemen uitgesproken de Amerikaanse ambassade te verplaatsen naar Jeruzalem, een gebaar dat neerkomt op erkenning van de Israëlische wens die stad tot hoofdstad van de (ongedeelde) natie te maken. Ook hoe de regering-Netanyahu zich opstelt, staat nog te bezien, al liet de minister van onderwijs zich direct na de verkiezingsuitslag al, enthousiast, ontvallen dat dit ,,het einde van de Palestijnse staat’’  betekent.

Daarmee raakte hij de kwestie die in uw vervolgbrief centraal staat, namelijk het stagnerende vredesproces en de vraag ,,wie daar schuld aan is’’. U meent dat NRC steevast eenzijdig de schuld bij Israël legt: ,,Steeds klinkt een bepaalde visie door op het conflict, op wie schuld is aan het uitblijven van vrede en wie welke stappen moet zetten’’. U noemt daarbij de stukken van correspondent Derk Walters en de columns van Carolien Roelants. Eigenlijk, schrijft u, zijn ,,alle artikelen negatief getoonzet richting Israël’’.

Nu is het over ‘toon’ lastig praten tegenwoordig. Dat zeg ik uit persoonlijke ervaring (namelijk als erkend pleiter voor een gematigde toon in het integratie- en islamdebat). Het heersende adagium luidt immers dat wie over de toon begint, het niet over de inhoud wil hebben, of geen argumenten heeft. Voor de goede orde: ik vind dat zeker niet voor opgaan, u draagt allerlei inhoudelijke argumenten aan. Maar ik wil het toch maar even vaststellen.

Temeer omdat lang niet iedereen nu eenmaal dezelfde toon in een artikel of betoog herkent. Sommige critici van de krant vinden de toon bijvoorbeeld al verkeerd omdat stenen gooiende Palestijnen geen  ,,terroristen’’worden genoemd. Dat moet dus heftiger. Anderzijds maken ze dan weer bezwaar tegen de term ,,bezetting’’ omdat die juist weer te heftig is, en vinden zij dat er moet worden gesproken van ,,betwist gebied’’.

Daar gaat een wereld van politieke en ideologische stellingname achter schuil, waar een krant die objectiviteit nastreeft niet mee vooruit kan. Die moet in de eerste plaats, met alle soms gebrekkige middelen die de journalistiek kent, beschrijven wat de aardse werkelijkheid is. In dit geval, nog helemaal los van de internationaal-juridische context: een gebied waar één partij aanwezig is met militaire overmacht en burgers van de andere partij systematisch onderwerpt aan bureaucratische en gewapende controle, dat is in normaal journalistiek taalgebruik niet ‘betwist’ gebied (dat suggereert tezeer een gelijkwaardigheid van strijdende partijen), maar ‘bezet’ gebied.

Maar in die terminologie ligt nog allesbehalve een antwoord besloten op de schuldvraag. Daarvoor is de zaak inderdaad, zoals u schrijft, te complex. Beide partijen hebben zich in het verleden schuldig gemaakt aan obstructie, traineren en soms regelrechte sabotage. Daar is ruim voldoende literatuur over te vinden – die ook niet telkens in elk verhaal in een krant hoeft te worden samengevat.  Wél moet de zaak, dat ben ik met u eens, met gevoel voor historische context en evenwicht worden verslagen.

Schiet NRC daarin tekort?

U noemt vier thema’s die u meent te herkennen in de berichtgeving (ik laat de opinies er vooralsnog even buiten), met uw kritiek erop. Dat zijn:

·         De Israëlische lobby is bijzonder sterk en succesvol. Dit geldt volgens u echter evenzeer voor de andere kant.

·         Sympathisanten stellen kritiek op Israël gelijk aan antisemitisme. Maar zo’n reactie treedt volgens u op in elk land dat onder vuur ligt, en: de andere kant is minstens zo fanatiek.

·         Israël wordt steeds rechtser. Dat ,,baart mij ook zorgen’’, schrijft u, maar NRC ,,zet het wel heel erg aan’’.

·         De bezetting is de oorzaak van het voortduren van conflict. Geweld van Palestijnen is ,,minder erg’’. Palestijns extremisme wordt weggelaten, zie Walters’ stukje over de Jeruzalemdag.

Samengevat: u ziet een gebrek aan evenwicht, of balans.

Op de meeste van die punten vind ik op mijn beurt dat u het te zwaar aanzet. Over de ,,Israëlische lobby’’  kan ik me bijvoorbeeld één artikel herinneren (over het CIDI), waarin de effectiviteit ervan nogal fors werd neergezet (ik heb daar een opmerking over gemaakt in mijn rubriek). Maar is dat compleet onterecht? Feit is, dat het CIDI , onder meer, al jaren persreizen organiseert naar Israël, waaraan inmiddels vele tientallen Nederlandse journalisten en publicisten hebben deelgenomen. Iets vergelijkbaars kan van Dries van Agt of het Palestina Comité, denk ik, niet worden gezegd.

Nu moet het CIDI zoiets vooral doen, het hoort bij de taken van die organisatie, maar het is en blijft een (legitieme) vorm van beïnvloeding van de media. Ik hoor daar zelden of nooit bezwaren tegen van mediacritici die neutrale berichtgeving zeggen na te streven. Overigens, ook de NRC-correspondent in Israël laat zich, uiteraard, informeren door de Israëlische autoriteiten. Een van zijn meer recente stukken, over de motieven van Palestijnse zelfmoordenaars, kwam voort uit zulke contacten met het IDF.

Inderdaad is de publieke opinie in Nederland over Israël ingrijpend veranderd, sinds de eensgezindheid van de jaren zeventig. Maar of dat louter het ,,succes’’ is van een pro-Palestijnse lobby, waag ik te betwijfelen. De verschuiving heeft meer dan één oorzaak. Groeiende afstand tot de Tweede Wereldoorlog en een  tanend christelijke engagement met Israël (secularisatie) zullen er, naast de opkomst van een Palestijnse lobby, zeker ook een rol in spelen.

Dan een opmerking over het streven naar ‘balans’, de rode draad in uw kritiek. Evenwichtigheid is een journalistieke deugd, zeker, maar er is een keerzijde.  Hameren op de noodzaak van evenwicht kan ook een strategie worden om onwelkome feiten te relativeren, of om een conflict gelijkwaardiger voor te stellen dan het is. In de Amerikaanse journalistiek wordt dan gesproken van false balance, of  van he said, she said-journalistiek, waarin strijdende partijen plichtmatig beide aan het woord moeten worden gelaten, liefst met precies evenveel woorden, om maar vooral niet het verwijt te krijgen van partijdigheid. Corruptie bij de Democraten gevonden? Dan verplicht voor het ‘evenwicht’ óók een, even lang, stuk over corruptie bij de Republikeinen!

Soms krijg ik de indruk dat enige false balance ook meespeelt in uw kritiek op de berichtgeving van NRC, en de stukken van Derk Walters. U vindt het bijvoorbeeld ,,suggestief’’ dat Walters aandacht besteedt aan een optocht van Joodse demonstranten op Jeruzalemdag, zonder vergelijkbare geluiden aan Palestijnse zijde te zoeken. Maar is die vergelijking reëel? Walters zegt: ,,Ik sta heus vooraan als er tienduizenden Arabieren, extremistische leuzen roepend, door een Joodse wijk lopen. Dat gebeurt alleen niet.’’

Dit speelt ook in de column van Walters over locoburgemeester Turgeman van Jeruzalem, waar u aanstoot aan nam. Moet een correspondent bij zo’n woeste uitspraak van een Israëlische gezagsdrager (Turgeman verweet de Palestijnen in de stad,,dierlijk gedrag’’) per se een vergelijkbaar hatelijke uitspraak zoeken van een Palestijn? Een dergelijke uitspraak uit de mond van een gezagsdrager, en niet een willekeurige passant, is op zichzelf nieuwswaardig.

Een dogmatisch streven naar ‘evenwicht’ kan ook verhullen dat het hier (en dan beperk ik me tot de Palestijnen) gaat om een asymmetrisch conflict. Tegenover de chaotische, en corrupte, Palestijnse Autoriteit op de West Bank, en het oproer aldaar van gewelddadige jongeren, staat een Israëlische politiële en militaire overmacht. Hamas is een ander verhaal, over de oogmerken van die radicaal-islamitische beweging en de uitzichtloosheid van het bestaan daar, hoeft niemand zich illusies te maken. Niettemin zijn ook de Gaza-campagnes, zoals in 2008, voorbeelden van asymmetrische oorlogvoering. Bijna twee miljoen Palestijnen, samengepakt op een gebied ter grootte van het eiland Texel, zijn niet in staat Israël van de kaart te vegen.

Ook dat lijkt mij een feit dat nuchter kan worden vastgesteld, nog zonder te verwijzen (om buiten elke verdenking van demagogie te blijven) naar het verschil in dodenaantallen van de afgelopen jaren.

U zou wel graag meer gematigde verdedigers van Israël aan het woord zien in de krant, in plaats van extremisten. Die wens deel ik met u. Walters spreekt dan ook geregeld met ‘liberale zionisten’, al is het waar dat degenen die zich het luidst laten horen vaak de hard liners van beide kanten zijn. Het interview dat hij had met Nir Baram, een van de meest succesvolle Israëlische auteurs van het moment, was een voorbeeld van die behoefte aan meer gematigde stemmen, en afkeer van extremen (zij het ook somber stemmend, in Barams diagnose van de uitzichtloosheid van het conflict).

Dat brengt me op de Israëlische politiek en samenleving. Het klopt, in de berichtgeving wordt geregeld een verharding of ‘verrechtsing’ van Israël gesignaleerd. Overigens ook in de contemporaine  historische literatuur over het land. Die ontwikkeling is namelijk, of men die nu toejuicht of betreurt, een feit. Ze markeert een significante en journalistiek relevante verandering in de Israëlische politiek en samenleving.

Walters zegt er dit over:

Het is waar dat ik als correspondent scherp ben op de ‘verrechtsing’ van Israël, waarbij niet rechtse politiek per se problematisch is, maar wel onder meer de toenemende druk op ngo’s (die worden uitgemaakt voor landverraders), de kritiek op het Hooggerechtshof (‘stuur er een bulldozer op af’), de groeiende invloed van religieus fanatisme in het leger, en meer. Ja,  in Rusland en Turkije is het erger, maar is dat een argument om radicalisering in Israël niet te beschrijven? Er  is inderdaad nog een levendig debat over mogelijk, gelukkig wel, maar de ontwikkelingen zijn zorgelijk. Dat ik daar kritisch over schrijf, komt niet voort uit negatieve vooringenomenheid, maar eerder juist  uit de hoop dat de Israëlische democratie en rechtstaat intact blijven.

Is dat meten met twee maten? Je kunt ook, of eerder, zeggen: het getuigt van serieuze journalistieke betrokkenheid bij Israël, een land dat zichzelf beschouwt als een democratische rechtsstaat, waarmee wij onszelf eerder identificeren dan met de omringende Arabische dictaturen – maar dat dus ook gehouden kan worden aan de normen die daarbij horen.

Intussen is de kern van de zaak, ook als we uw diagnose samenvatten, dat een oplossing voor het conflict verder weg lijkt dan ooit.

Carolien Roelants, die u ook noemt, bracht dat laatst treffend onder woorden in har NRC-column.  De kans dat er ooit een Palestijnse staat gaat komen – nog steeds de officiële inzet van het ‘vredesproces’ – is volgens haar ,,tot nul gereduceerd’’.  De nederzettingenpolitiek zal de facto één staat met twee nationaliteiten creëren. Tegelijk hebben de Arabische landen, voor zover ze al ooit echt betrokken waren bij hun zaak, elke interesse voor de Palestijnen verloren. De overwinning van Trump kan een en ander bezegelen, als is het zoals gezegd afwachten. In elk geval wordt hij geadviseerd  door haviken die, aldus Roelants, ,,Palestijnen als terroristen beschouwen, voor zover ze geloven dat Palestijnen überhaupt bestaan’’.

Dit is wat Mark Tessler al omineus zag aankomen in zijn indrukwekkende en, voor zover ik het kan beoordelen, eerlijke en evenwichtige boek A History of the Israeli-Palestinian Conflict. Ik heb het er ter lering bij gepakt, geïnspireerd door de correspondentie met u, en lees zijn sombere conclusie bij de tweede editie van die studie (2009). Na het finale mislukken van ‘Oslo’, waarvan beide partijen elkaar de schuld geven, zijn zij volgens Tessler elkaar alleen nog maar meer gaan wantrouwen en is voortzetting van de bittere en instabiele status quo ,,het meest waarschijnlijke scenario’’.

Tessler vraagt zich af, en dat lijkt mij een reële vraag, of Israel op den duur nog zowel een Joodse als een democratische samenleving kan blijven.  Een ‘twee nationaliteiten in één staat’-oplossing is door Israël categorisch afgewezen omdat Israëliërs dan een minderheid zouden worden in eigen land. Het idee van een thuishaven voor het Joodse volk zou verloren gaan. Anderzijds, een voortzetting van de status quo, inclusief de nederzettingenpolitiek, komt de facto neer op een ‘één-staat-oplossing’  die van de Palestijnen permanent tweederangs burgers zal maken en het rechtsstatelijke en democratische karakter van Israël zwaar onder druk zal zetten. De kritiek dat op die manier een vorm van ‘apartheid’ dreigt te ontstaan, of al is ontstaan, is geen bedenksel van Israëlihaters, maar wordt in Israël zelf hardop geuit, met verontwaardiging maar ook vaak met, al dan niet gedeprimeerde, berusting.

Ik citeer ook graag een passage uit het recente boek Israël tussen hoop en vrees van Salomon Bouman, tot 2003 NRC-correspondent in Israël. Hij schrijft:

Over de Palestijnse kwestie verkeert Israël in een identiteitscrisis. De vraag die het emotionele debat overheerst, is of Israël een democratie naar westers model kan blijven, of door overheersing van de Palestijnen afglijdt naar een apartheidsstaat. Dit debat is nog onbeslist, maar de feiten wijzen door de massieve nederzettingenpolitiek in de richting van een permanente Israëlische heerschappij over de Westelijke Jordaanoever. De kiem van een apartheidsstaat is gelegd. Voor de Israëlische inwoners van dit gebied geldt de Israëlische wet, terwijl de Palestijnen onder de Israëlische militaire rechtspraak vallen.

Is dat anti-Israël? Zeker niet, of juist niet, al spreekt er grote bezorgdheid uit.

Tegen die achtergrond vind ik het niet ‘eenzijdig’ wanneer NRC kritisch over dergelijke ontwikkelingen in Israël bericht. Mits, zoals ik u vorige keer schreef, de bottom line is en blijft dat aan het bestaansrecht van de staat Israël als zodanig niet wordt getornd.

Wat het laatste betreft, de ,,delegitimering’’ van Israël, is het weer salonfähig worden van impliciet, soms expliciet antisemitisme, ook in Nederland, zeer zeker een probleem.  Ik meen dat te proeven in de gretigheid waarmee het gedrag van Israël soms één-op-één wordt vergeleken met, of gelijkgesteld aan, dat van nazi-Duitsland. Dat is een vileine parallel waar, vermoedelijk, soms meer achter schuil gaat dan alleen maar de wens om stevig te provoceren (want waarom dan juist met deze vergelijking – is dat om te suggereren dat de slachtoffers van toen nu beulen zijn geworden, en er dus, wie weet, ook toen  misschien al zelf om vroegen?)

U heeft groot gelijk daar aandacht voor te vragen. Maar een koppeling aan de diagnose van een ‘eenzijdig negatieve’ nieuwsberichtgeving over Israël lijkt mij misplaatst en contraproductief. Dit is een onderwerp op zichzelf, dat aparte aandacht verdeint, met name op opiniepagina’s.  Dat gebeurt in NRC ook; ik verwijs naar  een paginagroot opiniestuk van Leon de Winter onder de kop Het monster is weer opgestaan. Critici van de krant doen zo’n stuk dan reflexmatig af als een schaamlap, een uitzondering voor de bühne op de anti-Israëlische of zelfs antisemitische koers van de krant.  Maar zo is het dus nooit goed: negeert de krant dit onderwerp, dan is dat veelzeggend; wordt er wel aandacht aan besteed, dan is dat een teken van kwade trouw.

Kortom. Ik hoop dat u begrijpt, zonder om sympathie te vragen, dat de positie van een krant die feitelijk en objectief wil zijn, in het huidige tijdsgewricht niet altijd makkelijk is, zacht gezegd. Wat niet wegneemt, dat die krant verplicht is zich aan de eigen eisen van feitelijkheid en objectiviteit te houden. Maar zoals kritische berichtgeving over George W. Bush (of Trump) nog niet betekent dat de krant ‘anti-Amerikaans’ is, zo betekent kritiek op Israël nog niet dat die ‘anti-Israëlisch’ is. Ja, de krant moet alert zijn op antisemitisme; niet door zichzelf te censureren, of uit angst voor kritiek te streven naar false balance, maar door gevoelig te zijn en blijven voor subteksten en insinuaties, in nieuws en opiniestukken. Dar hoop ik met mijn werk ook aan bij te dragen.

Ik hoop u met dit nadere antwoord iets meer context te hebben gegeven bij de manier waarop ik de berichtgeving in de krant benader, en toets.  Van mijn kant is mij door uw brieven nog eens duidelijk geworden hoe belangrijk het is bij de berichtgeving en opinievorming rond Israël rekening te houden met de historische context, maar ook met actuele politieke en maatschappelijke ontwikkelingen – niet alleen daar, maar ook hier.

 

Met vriendelijke groet, 

Sjoerd de Jong

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen