zaterdag 22 maart 2014

Sabeel: antizionisme met een christelijk sausje (IMO)

 

 

 

http://www.israel-palestina.info/actueel/2014/03/21/sabeel-antizionisme-met-een-christelijk-sausje/

 

= IMO Blog =   

Ik werd onlangs gewezen op een bijzonder naar en kwaadaardig boekje, getiteld: ‘De Kruisweg van de Palestijnse christenen. Een liturgische reis langs de Palestijnse  Via Dolorosa’.

De titel doet al het ergste vermoeden, en dat wordt meer dan bewaarheid. Het ergste is misschien nog wel, dat fel antizionisme en historische onwaarheden worden verpakt in een zoetsappig verhaal over pijn, lijden, rechtvaardigheid, gebed etc. De 14 staties van het lijden van Jezus worden vervangen door 14 staties in de kruisweg van de Palestijnse christenen, zoals daar zijn de Nakba, de vluchtelingen, de bezetting, de nederzettingen, de checkpoints etc.  Uit de inleiding:

“Sabeel wil de boodschap van Christus tot leven roepen temidden van de historische context en het dagelijkse lijden van onze Palestijnse gemeenschap. Voor ons is het beeld van het kruis met zijn beproeving en pijn, en Jezus’ antwoord van vriendelijkheid, geweldloosheid, en uiteindelijk de opstanding, een beeld van troost en inspiratie.”

Sabeel zegt voor de Palestijnse christenen op te willen komen, en ‘hun geloof te willen verdiepen’, maar men strijdt in feite meer tegen Israel dan dat men de Palestijnen helpt. Men heeft het alleen over de bezetting, en allerlei andere problemen van Palestijnse christenen (het corrupte PA bestuur, leven als minderheid tussen moslims, in Israel tussen twee vuren zitten als kleine christelijke minderheid, etc.) worden volledig genegeerd. Even verderop onder ‘doelstelling’ staat dan ook dat men wil helpen ‘antwoorden te vinden op de vragen en problemen die de voortdurende bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israel oproept bij de Palestijnse bevolking en de Palestijnse christenen in het bijzonder.’ En onder activiteiten: ‘Sabeel wil christenen uit de hele wereld aanmoedigen, te blijven werken aan gerechtigheid in de Bezette Gebieden, in solidariteit met het Palestijnse volk.’

De meeste Palestijnen wonen in de autonome A gebieden, waarbij je erover kunt twisten in hoeverre nog van een bezetting sprake is. Men heeft meer te maken met de lokale machthebbers en de mensen uit de eigen gemeenschap dan met de Israelische autoriteiten. Maar nog idioter is het om christenen uit landen waar de onderdrukking vele malen erger is, waar ze openlijk worden vervolgd en bedreigd ‘aan te moedigen om te blijven werken aan gerechtigheid in de bezette gebieden’. Vergeet Syrië, Egypte, Irak, Jordanië en Saudi-Arabië, landen waar christenen niet openlijk hun geloof kunnen of mogen belijden of zelfs met openlijk geweld te maken hebben. De enige christenen die we moeten helpen zijn die, waarvan we het lijden met een creatieve omgang met de waarheid op de enige Joodse staat kunnen afschuiven.

De Kruisweg haalt ‘getuigenissen’ van Palestijnen aan waaruit een beeld naar voren komt van een gemene, brute en onmenselijke bezetter:

“Mijn naam is Layan. Ik ben vijftien jaar oud. Op een dag kwamen Israëlische soldaten het jeugdcentrum binnen waar jongeren samen muziek aan het maken waren, en ze begonnen op de jongens en meisjes te schieten. De soldaten schoten en urenlang waren de jongens en meisjes bang. Soms stopten ze vijf minuten om vervolgens weer verder te schieten. Ik wil vrede voor Palestina. Ik houd van de vrede!”

“Voor 1948 woonde mijn familie in Haifa, de prachtige havenstad aan de kust in het noorden van Palestina. Mijn vader kwam uit een grote familie die veel land bezat en veel invloed had. De grootvader aan mijn moeders kant werkte voor de Barclay’s Bank in Haifa. In 1948 verloor mijn moeders familie hun huis, een verschrikkelijke gebeurtenis. De familie raakte ontheemd in hun eigen land, gedwongen door de gewapende eenheden van de Israëlische Hagana, en leden ook daarna nog aan de gevolgen van vervolging en discriminatie in eigen land. (…)

Mijn vader is oud en zal spoedig sterven, ver van het thuis dat hem is afgenomen, ver van de bongerds die langs mijn moeders veranda groeiden, hoewel dit volgens internationale wetten nog altijd van ons is. Nu genieten er mensen van die mijn ouders vluchtelingen hebben gemaakt.”

In Haifa werden de Arabieren opgeroepen te blijven maar vluchtte toch 90% van hen. Mede omdat de Arabische leiders daartoe opriepen, en omdat zij bang waren voor verraders uit te worden gemaakt en later de prijs te betalen als ze bleven. Deels uit angst voor meer oorlogsgeweld en omdat ze de Joodse leiders niet vertrouwden. Er werd gevochten in de stad, het was oorlog, een oorlog die de Arabieren in Palestina waren begonnen. In die oorlog hebben beide kanten elkaar onrecht aangedaan, en vielen aan beide kanten onschuldige slachtoffers. Omdat de Arabieren verloren hebben zij sterker geleden, maar als het aan de Palestijnse leiders had gelegen was er van de Joodse gemeenschap niks overgebleven. Sabeel vertelt dit verhaal echter niet, en de enige achtergrondinformatie die over de 1948 oorlog wordt gegeven is dit:

“Palestijnen refereren aan de gebeurtenissen van 1948 als “an-Nakba” – de ramp. In navolging van de afspraken van het VN Verdelingsplan zoals voorgesteld in 1947, beginnen Joodse militaire groepen met geweld met het innemen van grote gebieden van Palestina. Tijdens deze periode worden meer dan vierhonderd dorpen ontvolkt, doordat de bewoners met geweld worden verdreven of vluchten voor de aanstormende Joodse militanten. Het meest stuitende voorbeeld van de vernietiging van dorpen is Deir Yassin in april 1948. In Deir Yassin, een bloeiende Palestijnse gemeenschap van zo’n zeshonderd mensen, vond een massamoord plaats van ongeveer honderdtwintig mannen, vrouwen en kinderen door de Irgun en de Sterngroep (zionistische terreurbewegingen). De erfenis van 1948 is nog altijd voelbaar bij het Palestijnse volk. Zaken over het recht op terugkeer en compensatie voor de vluchtelingen die gevlucht zijn en wiens huizen en bezit zijn vernietigd of in beslag genomen – zaken waar volgens VN resolutie 194 compensatie voor had moeten komen – moeten nog altijd opgelost worden. Israël is, als verantwoordelijke voor de verdrijving van deze Palestijnen, de vernietiging van hun dorpen en steden, het ontzeggen van hun basisrechten en het illegaal overheersen en onderdrukken van de Palestijnse bevolking, moreel verantwoordelijk om dit onrecht Tegenover de Palestijnen te erkennen en er verantwoordelijkheid voor te nemen.”

Nadat het delingsplan door de VN Algemene Vergadering werd aangenomen, begonnen de Arabieren in Palestina met georganiseerd geweld tegen de Joden. Eerst nog kleinschalig, later steeds gestructureerder. Zij en de omliggende Arabische staten hadden daar al maanden mee gedreigd. Er was geweld van beide kanten, ook tegen burgers, en pas na maanden kregen de Joden de overhand. Die dorpen werden niet zomaar ‘ontvolkt’ maar de meeste Palestijnen vluchtten uit eigen beweging voor het oorlogsgeweld, vanwege opgeblazen verhalen over zionistische slachtpartijen en omdat zoveel anderen ook reeds waren gevlucht. Deir Yassin was niet symptomatisch voor wat de zionisten deden, maar een uitzondering, en werd door de Haganah veroordeeld. Kort erna vond een gruwelijke slachtpartij van Palestijnse zijde plaats. De erfenis van 1948, toen vijf Arabische landen het net gestichte Israel binnenvielen en 6000 Israeli’s omkwamen, soms mensen die kort tevoren uit de kampen in Europa waren bevrijd, is in Israel evenzeer voelbaar. Zaken als het virulente Arabische antisemitisme, de oproepen tot haat in Arabische media, het moslimextremisme en een cultuur waarin de dood voor het vaderland en de opoffering in de heilige strijd worden verheerlijkt – moeten nog altijd opgelost worden. De Palestijnen ontkennen nog steeds de Joodse wortels in het land, van Jeruzalem, en proberen die soms letterlijk weg te vagen. Zo heeft de islamitische WAQF in Jeruzalem historische Joodse artefacten die bij opgravingen boven kwamen bewust met de aarde mee afgevoerd. Arabische leiders wezen telkens vredesvoorstellen af, en ook Abbas stelt zich in de onderhandelingen onverzoenlijk op. De Palestijnen dragen zelf dan ook een flinke verantwoordelijkheid voor het voortduren van het conflict.

Sabeel ontkent niet alleen ieder Palestijns aandeel in het conflict, het vervalst niet alleen de geschiedenis en legt daarmee, om in hun terminologie te blijven, een valse getuigenis af, het pleit indirect ook voor het einde van Israel. Men spreekt immers van het Palestijnse ‘recht op terugkeer’. Men maakt daarbij geen onderscheid tussen de mensen die in 1948 zijn gevlucht of verdreven, wat nu nog een kleine minderheid is van wat de Palestijnse vluchtelingen worden genoemd. Het overgrote merendeel zijn nakomelingen, die voor een groot deel buiten Israel zijn opgegroeid en leven. Natuurlijk rept Sabeel met geen woord over de circa 800.000 Joden die uit Arabische landen zijn gevlucht en soms verdreven, met achterlating van al hun bezittingen. Overigens hanteert de UNRWA – speciaal opgericht voor de Palestijnse vluchtelingen maar met een bijna even groot budget als de UNHCR die alle andere vluchtelingen ‘bedient’ – voor de Palestijnse vluchtelingen een afwijkende en ruimere definitie, zodat Arabieren uit Egypte of Jordanië die op de werkgelegenheid in Palestina af waren gekomen  er ook onder vielen.

(Zie ook deel 2)

Ratna Pelle

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen