zaterdag 18 januari 2014

Ethische connecties PGGM (NIW)

 
Zie ook op IMO blog:

 

RP

----------

 

Ethische connecties PGGM 

http://www.niw.nl/ethische-connecties123/ 

Door Jan Franke  

 

De terugtrekking van pensioenfonds PGGM uit Israëlische banken wekt grote beroering in Nederland én Israël. De stap van het bedrijf roept vragen op over de nauwe banden tussen ngo's, hulporganisaties en PGGM.

Toen pensioenfonds PGGM vorige week aankondigde zijn investeringen uit de vijf grootste Israëlische banken terug te trekken vanwege de banden van deze banken met Joodse nederzettingen in de Palestijnse Gebieden, was voor Israël de maat vol. Voor de tweede keer in minder dan twee maanden tijd werd de Nederlandse ambassadeur Caspar Veldkamp door Jeruzalem ontboden. Het ontbieden van een ambassadeur geldt als een niet mis te verstaan diplomatiek signaal van ongenoegen. „Veldkamp werd in december ontboden nadat het Nederlandse waterbedrijf Vitens de geplande samenwerking met het Israëlische nationale waterbedrijf Mekorot afblies vanwege banden met de nederzettingen. Toen heeft Israël haar afkeuring kenbaar gemaakt en daarmee was de kous af," zegt Yigal Palmor, woordvoerder van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. „Maar nu, na de zaak-PGGM, hebben we ook direct een verklaring naar de media uitgestuurd met een heel duidelijke boodschap. Israël verwacht dat de Nederlandse regering nadrukkelijk kenbaar maakt dat het tegen iedere vorm van boycot van Israël is." Palmor laat weten dat Israël zich grote zorgen maakt over de 'anti-Israël sfeer' die in Nederland door dit soort incidenten ontstaat.

Waarom besloot PGGM zich zo plotseling terug te trekken uit de banken waar het al jaren in investeerde? „Van een plotselinge terugtrekking was geen sprake," zegt PGGM-woordvoerder Maurice Wilbrink. „Wij kiezen als aandeelhouder met een maatschappelijke verantwoordelijkheid eerst de dialoog als er sprake is van zaken als milieuvervuiling, arbeidsrechtelijke misstanden, of schendingen van de mensenrechten." Volgens het pensioenfonds voerde zij sinds 2010 met de vijf banken een dialoog. In april 2013 bezocht PGGM, na een schriftelijke vraag van de Palestijnse non-gouvernementele organisatie Al-Haq over PGGM's investeringen in de banken, Israël en de Palestijnse Gebieden om advies in te winnen en de situatie op de grond te bekijken. De dialoog liep op niets uit toen de Israëlische banken aangaven hun beleid ten aanzien van de nederzettingen niet aan te passen, omdat zij binnen de grenzen van de Israëlische wet opereren. Daarop trok PGGM zich terug.

Ethische meetlat

Onder andere de Israëlische krant The Jerusalem Post merkte nadien op dat PGGM – een van Nederlands grootste pensioenfondsen met 153 miljard euro in beheer – nog steeds investeert in bijvoorbeeld Chinese banken en bedrijven met activiteiten in Tibet, een gebied dat internationaal wordt gezien als onrechtmatig bezet door China. Waarom trekt PGGM zich wel terug uit Israëlische banken en blijft het investeren in andere conflictgebieden? „Wij opereren wereldwijd en worden overal gewezen op de maatschappelijk context van onze beleggingen. Omdat Israël en de Palestijnse Gebieden zo onder een vergrootglas liggen, worden we inderdaad vaker aangesproken op deze investeringen dan op bijvoorbeeld activiteiten in door Marokko bezette gebieden in de Westelijke Sahara," zegt Wilbrink. „Maar onze behandeling van Israël is niet anders. In 2008 hebben wij een groot Chinees oliebedrijf uitgesloten vanwege de activiteiten in Soedan. Vorig jaar stopten we met investeren in het Amerikaanse supermarktconcern Walmart – een van de grootste bedrijven ter wereld – vanwege de slechte arbeidsomstandigheden. Die beslissingen krijgen helaas veel minder media-aandacht."

Volgens Wilbrink voert PGGM nog een dialoog met Chinese bedrijven met activiteiten in Tibet. Pas als blijkt dat via de dialoog niet tot de gewenste koerswijziging leidt, volgt uitsluiting, zegt Wilbrink. Over de status, duur en inhoud van bedrijven met wie PGGM op dit moment een dialoog voert over 'maatschappelijk verantwoord ondernemen', wil het pensioenfonds geen uitspraken doen 'om de lopende dialoog niet te schaden'. De vraag of de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden anders wordt benaderd dan andere conflictgebieden, dient zich ook aan bij het internationaal opererende Nederlandse ingenieursbureau RoyalHaskoningDHV. Dat bureau trok zich afgelopen zomer terug uit het Kidron-afvalwaterzuiveringsproject in Oost-Jeruzalem nadat het concludeerde dat deelname in het project in conflict kon komen met internationale wet- en regelgeving.

Onderzoek van het NIW wijst uit dat RoyalHaskoningDHV werkt aan diverse maritieme projecten in het Arabische oliestaatje Bahrein. Opdrachtgever van deze projecten is de overheid van Bahrein, via de ministeries van Huisvesting en Transport. Nu onderdrukt Hamad bin Isa Al Khalifa, de soennitische monarch die Bahrein bestuurt, sinds 2011 – het jaar van de Arabische 'Lente' – op bijzonder bloedige wijze de overwegend sjiitische demonstranten in zijn land die meer politieke vrijheden eisen. Een onafhankelijk rapport door internationale waarnemers bevestigde vorig jaar dat de regering van Bahrein zich op forse schaal aan systematische martelingen van demonstranten en andere schendingen van de mensenrechten schuldig maakt. Op de vraag of RoyalHaskoningDHV over deze mensenrechtenschending in dialoog is met opdrachtgever Bahrein en overweegt zich terug te trekken, bleef het bedrijf bij het ter perse gaan van het NIW nog een antwoord schuldig.

Bezorgde brieven

Het vergrootglas van de media waar Israël onder ligt, is niet de enige reden waarom Nederlandse bedrijven zich sneller lijken terug te trekken uit de Joodse staat dan uit andere delen van de wereld. Het aantal juristen en activisten van non-gouvernementele organisaties (ngo's) dat vanuit de Palestijnse Gebieden én Israël mogelijke schendingen van het internationaal recht registreren, is in absolute en relatieve zin vermoedelijk groter dan in de meeste andere conflictgebieden ter wereld. Die ngo's kunnen behoorlijk invloedrijk zijn. Een voorbeeld is de Palestijnse ngo Al-Haq in Ramallah. Al-Haq ontvangt gelden van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, de Belgische overheid, Europese hulporganisaties en de Verenigde Naties. De ngo onderzoekt mogelijke schendingen van de mensenrechten door Israël en de Palestijnse Autoriteit in de Palestijnse gebieden. Er werken Palestijnse en buitenlandse juristen.

„In april 2013 informeerde Al-Haq een klant van PGGM middels een bezorgde brief over de activiteiten van Israëlische banken met Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever," meldt PGGM-woordvoerder Wilbrink. Maar internationale juristen van Al-Haq hebben de afgelopen maanden ook Vitens, RoyalHaskoningDHV en het bouwbedrijf Lima Holding B.V. uit Dordrecht – bekend onder de handelsnaam Riwal – voorzien van juridische adviezen over de situatie in de Palestijnse Gebieden. Met name de zaak-Riwal bracht Al-Haq voor het voetlicht. In juli 2006 en in juni 2007 verschenen berichten en beelden in de media dat materieel van Lima Holding B.V. was ingezet bij de bouw van de veiligheidsbarrière op de Westelijke Jordaanoever. Volgens een uitspraak van het OM werd Lima Holding B.V. hierop vervolgens meermalen aangesproken door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris van Economische Zaken. Lima Holding liet weten de verhuur van bemande kranen te zullen stoppen, maar niet verantwoordelijk te zijn voor de inzet van haar hoogwerkers.

Met een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof uit 2004, waarin werd geoordeeld dat de bouw van de nederzettingen en de barrière op de Westelijke Jordaanoever een schending opleveren van deze volkenrechtelijke verboden, toog Al-Haq naar de rechter. 'In 2009 en 2010 zijn aangiften gedaan tegen Lima Holding B.V. en haar bestuurders. In de aangifte van de non-gouvernementele organisatie Al Haq werd onder meer gesteld dat het bedrijf ook na 2007 nog betrokken is gebleven bij de bouw op bezet gebied', zo valt te lezen op de website van het OM. Er volgden invallen in kantoren van Lima Holding en bij de directeuren thuis en, uiteraard, een mediastorm. Het OM besloot uiteindelijk van vervolging af te zien, omdat de schuldvraag complex was, het onderzoek veel beslag zou leggen op politie- en justitiecapaciteit en de Israëlische autoriteiten hoogstwaarschijnlijk niet zouden meewerken. Maar de zaak met het bouwbedrijf en het handelen van het Openbaar Ministerie zorgde voor een boodschap voor andere Nederlandse bedrijven met activiteiten in de nederzettingen: strafrechtelijke vervolging is mogelijk. Het zette Al-Haq in Nederland op de kaart en gaf de ngo belangrijke juridische munitie voor haar activiteiten.

Korte lijnen

„Wij benaderen Nederlandse bedrijven niet zelf en zijn geen politieke organisatie," zegt de Nederlandse Al-Haq-woordvoerster en juriste Elizabeth Koek. „Zij komen naar ons voor juridisch advies en maken zelf hun afwegingen De spoeling van Nederlandse bedrijven met activiteiten in de bezette Palestijnse Gebieden die wij onderzoeken wordt dunner. Unilever volgt mogelijk nog. Maar er zijn grote Europese bedrijven, zoals vervoersbedrijf Veolia, het Britse beveiligingsbedrijf G4S en de Duitse cementmaker Heidelberg, die nog op ons vizier staan." Volgens Jody Fieradzky van NGO Monitor, een Israëlische organisatie die de activiteiten van internationale ngo's in Israël en de Palestijnse Gebieden onderzoekt, heeft Al-Haq wel degelijk een actieve politieke agenda. „Vorig jaar publiceerden zij nog een artikel waarin zij de Europese Unie en de Verenigde Naties oproepen tot een boycot van alle Israëlische producten uit de nederzettingen omdat deze door de winstgevendheid bij zouden dragen aan het in stand houden van de 'illegale bezetting'."

Wat Fieradzky ook zorgen baart, is de manier waarop Al-Haq wordt gefinancierd. „Al-Haq krijgt geld van de Nederlandse overheid, maar ook van organisaties als Cordaid, Oxfam-Novib en ICCO, die ook weer Nederlands overheidsgeld ontvangen. Deze grote organisaties lobbyen wél actief bij PGGM inzake Israël. Al-Haq kan dus wel zeggen dat ze Nederlandse bedrijven niet actief benaderen, maar de lijnen tussen Buitenlandse Zaken, grote hulporganisaties en Al-Haq zijn wel heel erg kort." Naar aanleiding van de terugtrekking van PGGM probeert NGO Monitor ook de nauwe contacten tussen bestuursleden van het pensioenfonds en ngo's die zich bezighouden met Israël en de Palestijnen inzichtelijk te maken. Uit onderzoek van de organisatie blijkt dat Cees Flinterman, hoogleraar mensenrechten in Utrecht, een van de drie 'ethische adviseurs' voor beleggingen van PGGM is. Flinterman is wat de situatie in Israël betreft bepaald geen onbeschreven blad. Hij is tevens bestuurslid van The Rights Forum met Dries van Agt als bestuursvoorzitter en Jaap Hamburger van Een Ander Joods Geluid als bestuurslid. Verder heeft hij zitting in het Russel Tribunal for Palestine (RToP), die onder andere in Zuid-Afrika een showproces tegen Israël voerde met als aanklacht 'een verergerde vorm van apartheid'.

Volgens NGO Monitor gebruikt RToP een juridische façade om een sfeer van neutraliteit te creëren, maar is in de praktijk geen sprake van een onafhankelijke benadering. In 2013 sprak Flinterman nog op een conferentie van de BDS-beweging in Nederland. Zijn collega-bestuurslid Gert van Dijk zetelt zowel in de ledenraad van PGGM als in het bestuur van ICCO, een Nederlandse hulporganisatie die groeperingen financiert die een algehele boycot van Israël nastreven.

Tweeslachtig Nederlands beleid

Toen Israël de Nederlandse ambassadeur vorige week opnieuw ontbood, was de verklaring die het ministerie na afloop stuurde in één zin samen te vatten: 'Maak duidelijk waar jullie staan'. Het staande Nederlandse beleid is het 'ontmoedigen' van Nederlandse bedrijven om zaken te doen die op enige manier betrekking hebben met de bezette Palestijnse Gebieden. Maar Nederland verklaart tegen een algehele boycot van Israël te zijn. Dat lijkt helder, maar zorgt in de praktijk voor verwarring. Jody Fieradzky van NGO Monitor, een Israëlische organisatie die internationale ngo's onderzoekt: „Nederland streeft geen algehele boycot van Israël na, maar financiert wel ngo's en hulporganisaties die een boycotagenda uitdragen. Die adviseren en lobbyen op hun beurt weer bij Nederlandse bedrijven. De bedrijven raken in verwarring, komen onder druk in de media en trekken zich terug om problemen te voorkomen."

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen