woensdag 24 oktober 2012

Archeologie in Israël, een twistpunt vanuit meer dan één standpunt

 

In de media wordt Israelische archeologie doorgaans negatief neergezet, als een propaganda instrument van de regering om haar claim op het hele land te rechtvaardigen. Dat is natuurlijk een karikatuur, waarin er bovendien aan wordt voorbij gegaan dat beide kanten de archeologie voor politieke doeleinden gebruiken. Daarnaast ontkennen de Palestijnen hardnekkig iedere Joodse connectie met het land en met Jeruzalem, wat de behoefte een en ander nog eens aan te tonen vergroot.

 

De archeologie in Israël is met de staat meegegroeid. In de eerste fase gingen de archeologen hartstochtelijk op zoek naar de historische band tussen het land en het Joodse volk, waarbij bepaalde conclusies al te snel werden getrokken. De huidige toon is gereserveerd en kritisch.

(...)

De legitimiteit van een staat hoeft niet met klinkende historische feiten bewezen worden, dat geldt ook voor Israël. Staten legitimeren zich niet via hun roemrijke verleden, maar met hun daden. Israël is ontstaan uit een beslissing van de Verenigde Naties en is op korte tijd uitgegroeid tot een welvarende moderne samenleving, waar het goed toeven is. Dit ondanks de oorlogen en de vele bedreigingen, die op de dag van vandaag meer dan ooit alarmerend zijn.

 --------------------

 

Archeologie in Israël, een twistpunt vanuit meer dan één standpunt

·        http://joodsactueel.be/2012/10/21/archeologie-in-israel-een-twistpunt-vanuit-meer-dan-een-standpunt/

·        Zondag 21 Oktober 2012 10:02 

 

·        Vanaf het prille begin keren de Palestijnen zich tegen de archeologie. In 2000 blijken ze bovendien waardevol historisch materiaal van de Tempelberg in de Kidronvallei te dumpen. In 1998 beweert de Palestijnse archeoloog Kazzouh dat hij het bewijs gevonden heeft van een doorlopende Canaanitisch-Palestijnse geschiedenis doorheen een periode van 5.000 jaar.  

 Deze naïeve historische interpretatie kan nochtans makkelijk weerlegd worden, dat gebeurt onder meer door de opgravingen in Tell-es Safi.  Wie bewoonde in lang vervlogen tijden onze steden en dorpen? Klopt 'onze' geschiedenis wel? Om een glimp van een antwoord op deze fundamentele vragen te krijgen, moet er naar het verleden gegraven worden. De historische realiteit laat namelijk altijd materiële sporen na die meestal diep in de grond verborgen blijven. Het blijft speculeren, tot er grote bouwwerken op til zijn en archeologen de bouwputten mogen/moeten onderzoeken. Dat leidt altijd en overal tot extra kosten en tijdelijke overlast. Maar in Jeruzalem laaien hierbij de passies op. De Palestijnse Autoriteit, die het Joodse verleden van Jeruzalem om politieke redenen minimaliseert of zelfs ontkent, en zijn fervente supporters, zijn absolute tegenstanders van dergelijk onderzoek.

Lieve Schacht

Sinds eeuwen stuiten mensen bij het graven op resten van oudere culturen. Maar de vondsten worden meestal achteloos weggegooid of in het gunstigste geval bewaard als curiosum. Pas in het midden van de 19de eeuw, komt men ertoe om de voorwerpen systematisch te verzamelen, te ordenen en historisch te duiden: de wetenschappelijke archeologie ontstaat. Gedreven door gezonde nieuwsgierigheid, worden tijdens de 19de eeuw grootscheepse opgravingen op het getouw gezet, die leiden tot spectaculaire nieuwe inzichten in de geschiedenis van Egypte, Mesopotamië en het oude Griekenland.  

Maar Jeruzalem, met zijn eeuwenoud Joods, christelijk en moslim verleden, spreekt natuurlijk ook tot de verbeelding van menig archeoloog. De stad is op dat moment de verwaarloosde hoofdplaats van een afgelegen district in het Turks-Ottomaanse rijk.

Charles Warren, een Brits legerofficier, krijgt in 1867 als eerste archeoloog, de toelating om opgravingen te doen op de Tempelberg. Duitse, Franse en andere Britse archeologen volgen, zij het met mondjesmaat, want de Turkse sultan is niet zomaar geneigd om hiervoor toestemming te verlenen. In de heuvel van Shiloah (=Silwan), die grenst aan de zuidelijke muur in het oosten van de Oude Stad, leggen de eerste archeologen onder meer twee waterleidingsystemen bloot. Ze identificeren de plaats rond de Shiloah Pool als het Bijbelse Jebus, de Stad van David, van waaruit Salomon de Eerste Tempel laat bouwen. Sindsdien wordt op die plaats systematisch archeologisch onderzoek verricht. Het Britse mandaat (1917-1948) is een 'gouden tijdperk' voor de archeologie. Jeruzalem en de 'City of David' maken volgens de Britten deel uit van het werelderfgoed. Daarom wordt er in 1922 een grootschalig internationaal archeologisch project opgezet, ook in Shiloah. Het terrein is tijdens de winter grotendeels een moerassig overstromingsgebied en bijgevolg onbewoond. In het Ottomaanse tijdperk behoort het tot het 'openbaar domein', in de Britse urbanisatieplannen wordt het ingekleurd als 'archeologisch park', een bestemming die sindsdien nooit gewijzigd wordt.

Begin van de jaren '90 van de vorige eeuw, beslist het stadsbestuur van Jeruzalem om de Shiloah Pool droog te leggen. Een open en groen gebied komt in de plaats van het moerasland en kort daarna verrijzen er Arabische woningen, evenwel zonder de nodige bouwvergunning. In een periode van achttien jaar worden er in totaal 88 illegale woningen gebouwd, zomaar onder de neus van de burgemeesters Teddy Kollek en Ehud Olmert. Pas onder Olmerts opvolger, Uri  Lupolianski, legt het stadsbestuur de bouwwerken stil en worden de tractors en het  bouwmaterieel van de overtreders aangeslagen. Volgens Shuka Dorfman, Algemeen Directeur van de Israel Antiquities Autohrity, hebben deze woningen inmiddels een onherstelbare schade aangericht aan het archeologisch patrimonium in deze uiterst belangrijke historische site.

Tegenstanders van het archeologisch park argumenteren dan weer dat dit hele project kadert in een alles omvattend Israëlisch plan om steeds meer 'Palestijns' gebied in te palmen. Op de website van de – door Vlaams belastingsgeld gesubsidieerde – ngo Intal wordt dit als volgt geformuleerd: "Het plan beperkt zich tot voorstellen om bestaande kolonies te ontwikkelen en uit te breiden in het oostelijke deel van de stad, bijvoorbeeld door Palestijnse wijken te transformeren (zoals de Silwan-wijk) in een Joods archeologisch park (de stad van David)".Hierbij wordt in de verf gezet dat al 22 Palestijnse woningen voor het project gesloopt zijn en dat nog 66 andere Arabische woonsten met de sloophamer bedreigd worden. Natuurlijk wordt het illegale karakter van de met sloop bedreigde woningen niet benadrukt, noch het feit dat deze woningen op 'openbaar terrein' gebouwd zijn. "In de Israëlische toeristische gidsen wordt het Arabische dorp Silwan ten onrechte de 'City of David' genoemd", zo luidt een andere aantijging. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat baron Rothschild in het begin van de 20ste eeuw verschillende hectare land in Silwan gekocht heeft. Evenmin wordt vermeld dat er vanaf 1882 een Jemenitische wijk in het dorp gebouwd werd, van waaruit de Joodse inwoners in de nasleep van de Arabische opstand in de jaren '20 en '30 verdreven werden. Tegenstanders beweren ook dat het archeologisch park een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnen in de weg staat. Met puur politieke argumenten wordt een cultureel project, dat inmiddels uitgegroeid is tot één van de vele toeristische trekpleisters van Jeruzalem, de grond ingeboord.

 

ARCHEOLOGISCHE DISCUSSIEPUNTEN

Hoewel het wetenschappelijk onderzoek aan strikte regels onderworpen is, is het wetenschapsbedrijf is ook een 'kind van de tijd'. Zo is de archeologie zeer populair binnen de vroege zionistische beweging en in de jonge staat Israël. Men wil kost wat kost de historische en culturele banden tussen de Joden en het land blootleggen. Archeologische opgravingen, zoals bijvoorbeeld Masada zijn in perfecte harmonie met de zionistische visie op het  land. Maar in de euforie worden conclusies soms te snel geformuleerd op basis van Bijbelteksten. De archeologie uit Israëls beginjaren gaat ervan uit dat de Bijbeltekst betrouwbaar is, tenzij de archeologische vondsten het tegendeel bewijzen. Zo rijdt men zich soms vast in een cirkelredenering. Ook Israëls toonaangevende archeoloog uit de begintijd Yigael Yadin loopt wel eens in die val. Naar aanleiding van de ontdekking van de poorten van het Bijbelse Hatsor, dateert hij het aardewerk aan de hand van de Bijbel. Een aantal wetenschappers achten het tegenwoordig onwaarschijnlijk dat de drie poorten uit de tijd van koning Salomon stammen, hoewel sommigen het wel voor mogelijk houden.

Als reactie op het grote enthousiasme en de archeologie 'met de Bijbel in de hand' van de begintijd, ontstaat in de jaren '80 het 'Bijbels minimalisme'. De minimalisten vertrekken van het standpunt dat de Bijbeltekst onbetrouwbaar is, tenzij de archeologie de tekst bevestigt. Spilfiguur bij de minimalisten is Israel Finkelstein, directeur van het Archeologisch Instituut van de Universiteit van Tel Aviv. Volgens het onderzoek van Finkelstein zijn de poorten van Hatsor een eeuw na Salomon door een andere vorst gebouwd. De grote bouwwerken van Jeruzalem stammen volgens de minimalisten uit de achtste eeuw voor de christelijke tijdrekening. Volgens hen is Jeruzalem ten tijde van David en Salomon (10de eeuw voor de christelijke jaartelling) niet de hoofdstad van een uitgestrekt rijk, maar een kleine tribale stad, met niet meer dan een kleine citadel voor de koning. Wanneer archeologe Eilat Mazar, (Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem) in 2005 in Shiloah een monumentaal bouwwerk blootlegt, dat zij op grond van de ligging en enkele aardewerkscherven aan koning David toeschrijft, wordt deze stelling door de minimalistische archeologen in twijfel getrokken. Zij wijzen erop dat dergelijk aardewerk gedurende een lange tijd in gebruik geweest is.

Maar de standpunten van de minimalisten worden op hun beurt gecontesteerd. Hun oorspronkelijke stelling dat David en Salomon fictieve personages zijn, wordt in 1993 onderuitgehaald. Archeologen graven in een site in Tel Dan (Noord Israël) een stèle op met de inscriptie 'huis van David', waardoor het bestaan van koning David bewezen wordt. Ook andere recente archeologische vondsten lijken in te gaan tegen de theorie van de minimalisten. In de Khirbet Qeiyafa in de Terebintenvallei, enkele kilometers ten zuidwesten van Jeruzalem, op de plaats waar David volgens de Bijbel Goliath versloeg, heeft professor Yosef Garfinkel van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, de resten van een Judese stad ten tijde van koning David opgegraven. Hij legt er een stadsmuur bloot, die veel gelijkenis vertoont met de stadsmuren van Hatsor en Gezer. Tussen de resten van de bouwwerken vinden de archeologen ook een bakplaat voor pitabrood, visgraten, honderden botten van schapen en geiten, maar niet van varkens en een potscherf met een (moeilijk te lezen) Hebreeuws ogende tekst. In een gespecialiseerd centrum in Californië kan de tekst uiteindelijk toch ontcijferd worden. De tekst roept op om de Heer te dienen en weduwen en wezen recht te doen en te beschermen. Dit is geen Bijbeltekst, maar is wel een opvallende gelijkenis met Exodus 23:3, Jesaja 1:17 en Psalmen 72:3. Garfinkel ontdekt bovendien dat de versterkte stad twee poorten heeft. De Hebreeuwse naam voor twee poorten is Saäraïm, en dat is ook de naam van een plaats die in de Bijbel drie keer vernoemd wordt. In Samuël 17:25 wordt beschreven hoe de Filistijnen vluchten voor David "van Saäraïm tot Gath".

De Amerikaanse archeoloog Thomas Levy onderzoekt in 1997 de zuid-Jordaanse site Khirbat en Nahas (= Arabisch voor 'ruïnes van het koper'). Uit zijn onderzoek blijkt dat er in die mijn in de tiende eeuw voor de christelijke jaartelling koper ontgonnen wordt. Het is voor Jeruzalem de dichtst mogelijke vindplaats voor koper, het Bijbelse Edom? Werd het koper uit deze mijn gebruikt voor het gieten van de vele bronzen voorwerpen die volgens de Bijbel in de tempel van Salomon aanwezig zijn? Daarnaast is er een poort gevonden, die sterk lijkt op eerder in Israël opgegraven exemplaren uit dezelfde tijd en een begraafplaats met 3.500 graven. In de site worden ook nog Egyptische artefacten gevonden uit de tijd van Sjesonq. De inval van deze vorst kort na Salomons dood wordt beschreven in de Bijbel en werd opgetekend nabij de tempel van Amon in Karnak.

En verder?

Vanaf het prille begin keren de Palestijnen zich tegen de archeologie. In 2000 blijken ze bovendien waardevol historisch materiaal van de Tempelberg in de Kidronvallei te dumpen. Een wraakactie voor de opmerkelijke uitgravingen van de tunnels aan de Kotel (Klaagmuur) aan Israëlische kant in 1996? In 1998 beweert de Palestijnse archeoloog Jalal Kazzouh dat hij in Tel Sofer, in de buurt van Nablus het bewijs gevonden heeft van een doorlopende Canaanitisch-Palestijnse geschiedenis doorheen een periode van 5.000 jaar. Hoewel deze stelling betwijfeld wordt door Hamed Salem, archeologieprofessor aan de Bir Zeit universiteit van Ramallah, wordt de hypothese van Kazzouh overgenomen door het Department for Antiquities en Cultural Heritage in Ramallah.

Deze naïeve historische interpretatie kan nochtans makkelijk weerlegd worden. Dat gebeurt onder meer door de opgravingen van een team van de Bar-Ilan universiteit in Tell-es Safi/Gath. In deze archeologische site worden de resten van de (hoogstaande) Filistijnse cultuur uit de IJzertijd blootgelegd. Maar in de loop van de 7de eeuw voor de christelijke tijdrekening verdwijnt deze Filistijnse beschaving.

De archeologie in Israël is met de staat meegegroeid. In de eerste fase gingen de archeologen hartstochtelijk op zoek naar de historische band tussen het land en het Joodse volk, waarbij bepaalde conclusies al te snel werden getrokken. De huidige toon is gereserveerd en kritisch. Sommige verstrekkende naïeve interpretaties van de beginperiode zijn inmiddels gecorrigeerd, maar de kern van het verhaal blijft overeind. Het is wetenschappelijk bewezen dat er in Israël vanaf de IJzertijd een ononderbroken Joodse aanwezigheid is in het land. Het is ook een feit dat de Bijbeltekst niet zomaar kan genegeerd worden. Iedereen is het erover eens dat het een zeer oude tekst is, die betrekking heeft op de geschiedenis van Israël in de IJzertijd. Zelf voor professor Finkelstein blijft de Bijbel belangrijk: "Wanneer ik met een onderzoek bezig ben, moet ik onderscheid maken tussen de cultuur van David en de historische David. Voor mijn culturele identiteit is David van groot belang. In mijn ogen is David niet een plaquette op een muur en niet de leider van een groep kansloze herders. Neen, hij is veel meer dan dat. Ik ben er trots op dat hij als onbelangrijke figuur is kunnen uitgroeien tot het hart van de westerse traditie".

De legitimiteit van een staat hoeft niet met klinkende historische feiten bewezen worden, dat geldt ook voor Israël. Staten legitimeren zich niet via hun roemrijke verleden, maar met hun daden. Israël is ontstaan uit een beslissing van de Verenigde Naties en is op korte tijd uitgegroeid tot een welvarende moderne samenleving, waar het goed toeven is. Dit ondanks de oorlogen en de vele bedreigingen, die op de dag van vandaag meer dan ooit alarmerend zijn.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen